De Stoornis Maatschappij (DSM) (∗)

Mijn naam is Rudolf, ik ben lid van het Aspergegilde. 
Wij houden niet van DSM-5.
Wij bepalen zelf hoe wij genoemd moeten worden.

De Stoornis Maatschappij (DSM) (∗)

(∗) Om taalspelige redenen kan De Stoornis Maatschappij (DSM) niet vertaald worden in het Esperanto.

Alle rechten voorbehouden. Voor overname van artikelen en ander materiaal zie:

Aŭtorarajto Mia Propra Verko/VAZNak/Laborgrupo Kritikaj Spiritoj (Auteursrecht Mijn Eigen Werk/VAZNaK/Werkgroep Kritische Geesten)

Overname van tekst, foto’s en ander materiaal zonder toestemming is verboden! Alle rechten voorbehouden!

© Culturele Verschijnselen 2019

Beperkingen

Hebben wij allemaal. Volgens het woordenboek: ‘begrenzing’, maar ook beknotting, bijvoorbeeld: beperkte toegang tot een systeem,  gebouw, afdeling, et cetera. Of beperkte rechten. Het woord beperking heeft veel betekenissen, zie https://www.encyclo.nl/begrip/beperking

De beste synoniemen vind ik in het puzzelwoordenboek met 37 omschrijvingen: http://www.mijnwoordenboek.nl/puzzelwoordenboek/BEPERKING/1

Ik schreef naar aanleiding van het Waalzinnig Festival Nijmegen het volgende bericht:

U spreekt op uw webpagina over ‘mensen met én zonder beperking’, alsof er twee soorten mensen bestaan.
Ieder mens is een mens met beperkingen.
Waarom hanteert u onzorgvuldig taalgebruik? Erg slordig!
Beperking betekent begrenzing, dus: door mijn lichaamslengte ben ik beperkt (begrensd) in mijn mogelijkheden omdat ik bijv. een kistje of een trap nodig heb om bij de bovenste boekenplank te kunnen komen. Ik ben beperkt in hardlopen, omdat ik de marathon niet lopen kan. Ik heb een visuele beperking omdat ik bijziend ben en op straat een bril nodig heb en om een boek te lezen een leesbril. Ik  kan twintig , hooguit dertig kilogram cement sjouwen, daar ligt mijn beperking. Als ik moe ben van een inspanning dan is die moeheid een teken van mijn beperking.
Ook heb ik psychische beperkingen (ik kan niet ‘alles’ verdragen), beperkingen omdat ik begrensd ben, beperkingen met kennis en ervaringen.
Beperkingen zijn ook in verhouding tot anderen in een groep. Als je dertig mensen hebt en ééntje is in staat de marathon te lopen, dan hebben die andere 29 een beperking ten opzichte van die marathonloper, terwijl alle dertig gezonde mensen zijn. Die ene marathonloper heeft (wel) een afwijking. Ten opzichte van die overigen.

Met vriendelijke groet,
Rudolf Veenendaal,  een mens met beperkingen.

Tenslotte: taal verandert en staat sterk onder invloed van diverse media, betekenissen en nieuwe woorden zijn vluchtig of maken deel uit van de ‘waan van de dag’. Wat gisteren nog kon, wordt streng verbeterd door de ‘politieke correctheid’. Belediging en gekwetst zijn zijn afhankelijk van de persoon die het treft, subjectief dus. ‘Verstandelijk gehandicapten’ werd ‘mensen met een verstandelijke beperking’.  En gemakzuchtig wordt ‘verstandelijk’ weggelaten en krijgt het woord ‘beperking’ de betekenis van ‘stoornis’. Eigenlijk wordt hiermee het woord ‘beperking’ gebrandmerkt. Hoe nu kan men nu voorkomen dat men niet beledigt, kwetst, discrimineert en stigmatiseert door ‘mensen met een verstandelijke beperking’ zo te noemen? Dat kan men niet voorkomen. Gewoon benoemen, niet bang zijn. Maar alleen het woord ‘beperking’ gebruiken is niet voldoende.

Ik bood Het Waalzinnig Festival in Nijmegen een alternatieve tekst aan als inleiding op hun webstek. Zie: http://waalzinnigfestival.nl/

Waanzin 1, Maatschappelijke Stoornissen

Om vast te stellen aan welke soort waanzin u lijdt, welke stoornis u heeft, hoe gek u bent, knetter, kierewiet, dol of dwaas, fobisch, totaal geschift, nietandersomschreven, ontspoord, ontregeld, zot of vreselijk, zuchtig en verslaafd, kriegel, lijp of maf, niet goed bij je hoofd, krankzinnig, totaal geflipt of de weg kwijt:  het staat allemaal omschreven in de Bijbel der Psychiatrie: het DSM: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (vertaling: diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen).

Ik vond dat er een alternatieve versie moest komen, omdat ik van mening ben dat de maatschappij knettergek is. Daarom treft u hier alvast een pagina met 20 stoornissen aan van mijn bescheiden boekwerkje waar  meer dan 100 stoornissen in vermeld staan. Het is  te bestellen via rudolfveenendaal (at) antenna.nl van Culturele Verschijnselen.

Johan Wilgenbos Rudolf Veenendaal, december 2018

 

De eerste twintig stoornissen

DSM IV copy JW 2016

(∗) Kan vertaald worden als: La Malhelpo Socio, maar verwijzend naar het handboek (volgens sommigen ook wel ‘de bijbel’, niet zo’n gekke vergelijking, ook als men de Jehova-achtige werkwijze ziet zoals men met dat boek toepast) der psychiatrie klopt de afkorting in dit geval niet!

Waanzin 2,  De Stoornis Maatschappij (DSM)

Marliesje gaat naar de dokter. Een bijdrage van Johan Wilgenbos¹

Om u een indruk te geven hoe het Verzamelboek van Menselijke (Bij)verschijnselen (VM(B)verschijnselen) werkt zal ik u een verhaaltje vertellen.

          Het was een zomerse zonnige morgen.

Marliesje van zes jaar zat aan haar ontbijt in de tuin van het huis waar zij woonde.

Marliesje_NEW 001 10x 72dpiEen tafeltje op maat, gedekt met een servies en bestek passend bij de kindermaat en de meisjessmaak die in commercieel opzicht meer de smaak van de speelgoedfabrieksdirecteur was, stond opgesteld onder de oude beuk die veel schaduw gaf en waar je het mooiste zicht op de tuin had.
Van alle kanten hoorde je het gekwetter en het zingen van de vogels en er woei een zacht windje,  de tuin strelend met alles en iedereen dat aanwezig was. Het was eind juni en de bloemenpracht begon haar top te bereiken, een melange van bloemengeuren verried dat men zich hier niet aan de hoofdstedelijke Wibautstraat bevond. De stilte voegde zich naar de open ruimtes die in deze weldadigheid zich beschikbaar stelden om haar te mogen ontvangen. De vrede leek gegarandeerd.

Net op het moment dat Marliesje die ook vaak Liesje werd genoemd, bezig was met het inschenken van een kopje thee, werd zij opgeschrikt door een soort gekrijs. Het scheelde niet veel dat zij van schrik het porseleinen theepotje uit haar hand liet vallen. Krampachtig wist zij de situatie te redden en zonder geknoei schonk zij haar kopje vol.

“Stel je eens voor dat de theepot uit mijn handen was gevallen en alle thee over het tafeltje heen was gestroomd” dacht het meisje.
“Of erger nog, dat die gloeiend hete thee over mij heen was gekomen…..” Angststoornis.
Liesje rilde bij die gedachte. “Gauw maar verder eten”, dacht het kind en met een sombere uitdrukking op haar gezicht probeerde ze het ontbijt voort te zetten.

Somber was ze al de hele ochtend, depressie, logisch, want haar ouders waren die dag al vroeg op reis gegaan en dat beviel Liesje niet zo. Ze voelde zich erg eenzaam, verlatingsangst, en ook wel een beetje bang, angststoornis, verdriet overmeesterde haar en tranen biggelden over haar wangen. In deze stemming kon Liesje geen hap door haar keel krijgen, anorexia nervosa, maar honger had ze wel. Ze begon een beetje weg te dromen en te fantaseren, dissociatieve persoonlijkheidsstoornis, maar dat deed ze wel meer als zij zich eenzaam en een beetje zielig vond. Zelfmedelijden. Na een tijdje bedacht ze dat zij beter haar lievelingspop kon halen om wat gezelschap te hebben.

Enkele minuten later zat Daisy, de liefste pop allertijden, projectie, naast Liesje aan het ontbijttafeltje in de groene en ook zeer bloemrijke tuin van het landhuis, een pronkstuk van het adellijke geslacht Ter Blijt, waar Liesje het nu alleen moest zien te rooien. Ze genoot erg vaak van de tuin waar zij lekker in kon spelen. Wel erg groot was de tuin, agorafobie, als zij deze vergeleek met de tuintjes van haar vriendinnen. En omdat Liesje erg sociaal was, kon zij zich wel voorstellen dat haar vriendinnetjes tegen haar opkeken met zo’n tuin en huis. Megalomanie. In zo’n tuintje van één van haar vriendinnen vond Liesje het ook wel prettig, maar ook wel erg klein. Claustrofobie.
Met Daisy was het altijd fijn. Liesje voerde dan ook hele gesprekken met haar. En wat er dan al niet naar buiten kwam. Ongebreidelde fantasie. Ongelofelijk. Een rollenspel, bijna echt. Meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

Liesje merkte niet dat Oom Jacob die tegenover Liesje woont zachtjes de tuin in geslopen was om te kijken hoe het met haar ging. Paranoïde.
Voorzichtig naderde Oom zijn nichtje, hij wilde haar niet laten schrikken. Ze merkte hem op en begroette hem.
“Hai Oom!”, stamelde het meisje nog enigszins in de ‘roes’ van haar spel met Daisy.
“Dag schat, hoe gaat het met je, is het niet te eenzaam hier? Zullen we niet even gezellig samen zijn?” Incest.
“Het gaat wel, het is wel erg saai zonder mama en papa, wanneer komen zij weer terug?”
“Over een week en af en toe kom ik eens kijken hoe het met je gaat.”
“O”, zei het kind bijna onverstaanbaar met teleurstelling in haar stem en wendde haar hoofd af. Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.
Huilerig vroeg het kind waar heen haar ouders gereisd waren.
“Ze zijn een weekje naar Dromenland”.
“Echt waar? Pseudologia-phantastica. “Dat kan niet, zeg het nou ehecht!”
“Nee, ik maakte maar een grapje, niet dit soort dingen al te letterlijk nemen. Ze zijn naar Koeterwalië, naar Tante Sujet.” Confabulatie.

Oom Jacob keek naar zijn bedroefde nichtje en sprak:

“Toe Marliesje, het komt wel goed, je bent maar tijdelijk alleen en ik ben er ook nog. Eet nog even wat en denk er aan dat je zo dadelijk naar school moet gaan.”
Het meisje begon met lange uithalen hard te snikken, hysterie, en legde haar hoofd op haar gekruiste armen die zij op tafel te ruste had gelegd.
“Nee,” kermde ze, ik wil niet naar school, ik wil hier blijven, met Daisy!” Oppositioneel opstandige gedragsstoornis.

Oom Jacob is een verstandige man en hij weet goed met kinderen om te gaan. Hij troost zijn nichtje en brengt haar naar school.

In de klas is Marliesje erg stil en staart verdrietig voor zich uit. Juffrouw Lettie merkte het op en vroeg haar wat er aan scheelde.
Marliesje begon te snikken en hakkelend –stotterstoornis- (dat gebeurde nooit) vertelde zij over haar leed. Slachtofferrol. Sommige kinderen in de klas beginnen te lachen en Marliesje voelt zich kleiner worden. Zij durft niets meer te zeggen uit angst dat zij, weer uitgelachen wordt. Sociale fobie.
Juf wist het meisje te troosten en de les kon beginnen. Rekenles.

Rekenen kon Liesje erg goed, maar deze morgen lukte het niet om de rekensommetjes zonder fouten te maken, zij kon zich niet goed concentreren. Concentratiestoornis. Ze leverde het vel met de sommen bij Juf Lettie in en wachtte vol spanning af hoe de beoordeling uit zou vallen. Afhankelijkheidsstoornis. En dat viel niet mee. Negen fouten maar liefst. Rekenstoornis.
De juf wilde Liesje spreken, want dat was een ernstige toestand met dat meisje.
En dat gebeurde ook. Tijdens het eerste speelkwartier was er de gelegenheid om het meisje te spreken. Aan het einde van het gesprekje gaf Lettie een brief mee die zij aan haar huisarts moest geven, want dit patiëntje moest met spoed behandeld worden.

Even later stond Liesje met de brief van de juf buiten de school wat bedremmeld om zich heen te kijken. Half verdoofd van verdriet, angst en verwarring wist zij even geen raad in dit moeilijke ogenblik. Treuzelend liep zij met de brief in haar hand naar het huis van oom Jacob. Hij moest die brief lezen die voor de huisarts bestemd was, dat had juf gezegd.

Al tien minuten later, gelukkig was het niet ver lopen, arriveerde zij bij het huis van haar oom. Liesje belde aan, maar na een tijdje werd er nog steeds niet opengedaan. Nog eens bellen. Weer geen reactie. Wat was er aan de hand? Hoe kon dit? Liesje begon zich van alles af te vragen. Paniekstoornis. Stond zij wel bij de juiste deur aan te bellen? Desoriëntatie. Zij hoorde haar hartje kloppen en haar lijfje verstarde.
Plotseling werd het duidelijk: oom was nog niet thuis. Het was nog te vroeg om bij haar oom aan te bellen. Liesje vond zichzelf een stommerik. Hoe kon ze zo dom zijn, vroeg zij zichzelf af. Minderwaardigheidscomplex.

“Wacht eens even”, dacht het meisje nadat zij bij de voordeur van oom Jacob had staan nadenken, “ik kan ook via de achterdeur naar binnen, maar zou oom dat wel goedvinden?” Crimineel gedrag.
Net op dat moment kwam er een man aanlopen, het was…..oom Jacob!
Er volgt een hartelijke begroeting, maar Jacob sprak wel zijn verbazing uit over het vroege tijdstip dat Liesje uit school is.
“Ik mocht eerder weg van de juf en moest u deze brief geven”.

De man pakte de brief aan die zijn nichtje hem overhandigde.
Na het lezen van de brief begreep oom op dat zijn nichtje plotseling nogal gestoord geworden was en met een ernstig gezicht sprak hij zijn nichtje toe.
Oompje schraapte zijn keel en met een gedempte en met een ietwat geknepen stem vertelde hij Liesje dat zij ziek, ja gestoord geworden was en onmiddellijk naar de huisarts moest gaan en hem deze brief moest geven.
Het meisje begon daarop hard te huilen en bijna buiten adem en met grote uithalen lukte het net om duidelijk te maken dat zij zich niet ziek voelde.
“Was ik maar dood”, schreeuwde ze het uit. Suïcidaal. “En Daisy ook!” Het verdriet werd erger en leek haast niet te stoppen. “Ik ben niet ziehiek!”
Jacob probeerde haar te troosten, maar het lukte niet.
“Marliesje zo kan dit niet verder, we kunnen zo niet aan de deur blijven staan,” sprak de man nu met wat ergernis in zijn stem.
“Hier heb je een zakdoek, veeg je tranen af, ga naar de dokter en stel je niet aan!” -theatrale persoonlijkheidsstoornis- beet de man kordaat het meisje toe.
Liesje veegde haar tranen af en na een diepe zucht en een glaasje water gehoorzaamde zij en ze holde zo snel zij kon met de brief naar dokter Van Geest die niet ver weg woonde.

Enkele minuten later kwam zij bij de praktijk van dokter Van Geest aan.

De dokter schrok op van zijn bureau en zag dat Liesje hijgend met haar tong uit haar mond zijn spreekkamer in rende, Gilles de la Tourette.
De dokter kalmeerde haar en stuurde het kind voor de goede orde direct naar de wachtkamer.
“Typisch zo’n ADHD-kind”, dacht de dokter, “maar wel een leuk kind”. Pedofilie.
Het duurde niet lang voordat het meisje, maar nu met toestemming, bij de dokter in zijn spreekkamer zat.

De dokter las de brief van juf Lettie, legde hem met een brede grijns voor zich neer en sprak:
“Beste Liesje, ik kan mijn lach haast niet inhouden, gelukkig dat ik je goed ken, maar deze brief is door een gek geschreven.”
Die juf van jou, het spijt mij dat ik het zeg, is werkelijk niet goed bij haar hoofd en ik verklaar je volledig gezond!”
“Ben ik dan niet gek dokter, maar…”
“Liesje ga naar huis, ik bel je oom wel even en zal de juf Lettie schrijven dat jij een heel gewoon gezond meisje bent. Juffrouw Engel, wilt u even de volgende patiënt roepen.”

Juffrouw Engel, de assistente, verliet de spreekkamer en nam Liesje aan haar hand mee.
Beiden liepen zij langs de wachtkamer en het meisje zag nog net dat daar Arlette Bokkinga in een tijdschrift zat te lezen. Wat leek zij erg op de juf, zeg.
Liesje zei niets en  een moment later stond ze weer op straat.

Onderweg  naar huis telde Marliesje de stoeptegels om er zeker van te zijn dat er geen één verdwenen was.

© Johan Wilgenbos, voor Culturele Verschijnselen,  2015-2019

¹ Johan Wilgenbos is oprichter van het Wilgenbosinstituut