Rakontoj (Verhalen)

Voor overname van artikelen en ander materiaal zie:

Aŭtorarajto Mia Propra Verko/VAZNak/Laborgrupo Kritikaj Spiritoj (Auteursrecht Mijn Eigen Werk/VAZNaK/Werkgroep Kritische Geesten)

Overname van tekst, foto’s en ander materiaal zonder toestemming is verboden! Alle rechten voorbehouden!

© Culturele Verschijnselen 2019

‘Dromen worden werkelijkheid’

Ik wil het over het ‘leefklimaat’ hebben, ook daar vindt een voortdurend veranderingsproces plaats. Net zoals bij het landklimaat, het zeeklimaat en het gematigde klimaat, het politieke klimaat, het maatschappelijke klimaat. Alles verandert en meestal valt er niet te voorspellen hoe iets verandert en in welke richting het gaat. Lichaamscellen veranderen, lichamen dus ook en ik zie er morgen anders uit dan vandaag1.

Mijn huis verandert, de straat waar ik woon verandert ook, zij het niet zo veel en in een zeer laag (relatief) tempo. Mijn gedachten, mijn tuintje, mijn dagen, mijn tekst, die was net nog anders. Niets staat stil, alles is in beweging. Ook niets nieuws, alleen als ik het opschrijf is het nieuw. Elk moment is nieuw. Mijn leefklimaat leeft. En verandert voortdurend. Het grote klimaat, het wereldklimaat dat afhankelijk is van het universele klimaat2 en nog een aantal factoren verandert voortdurend. En er zijn mensen die dat niet willen, het mag niet. Alles verandert, zij, de verbieders van de ‘klimaatverandering’ vinden dat het klimaat het enige is dat niet mag veranderen. Voor hen geldt hetzelfde als wat ik zojuist vertelde. Zij vinden dat alles controleerbaar moet zijn, al is dat zo groot en ingewikkeld en onbevattelijk als het klimaat of desnoods het hele universum.

De techniek lost het wel op, dat wil zeggen, stopt de klimaatverandering. Vinden de verbieders. En de machtigen der Aarde en hun gewillige knechten proberen met een draaiknop de ‘boel’ bij te stellen. Maar de knop draait lam. En er is maar één knop en de as waarop die knop draait is al versleten en toch draait men door. En olie spuiten om de ‘boel’ draaiende te houden kan niet meer, het flesje is leeg.

Tot morgen.

Zo het is weer ochtend geworden………

En plotseling……blijkt het maar een nachtmerrie te zijn! Men is wakker geschrokken.

Bij het ontwaken is de nachtmerrie nog blijven hangen. Dit lijkt wel een cryptische zin. Bij het ontwaken is de nachtmerrie nog in mijn geest blijven hangen. Nog cryptischer. Zo zijn er meer van dat soort zinnen. Zoals: “We moeten het klimaat redden voordat het te laat is!” of “Internet maakt het klimaat kapot” of “De klimaatverandering moeten we stoppen”, of één van de meest fantastische: “stop klimaatvervuiling3 van Shell4“, je gelooft je oren en ogen niet als je al dit soort wartaal hoort of leest. Neem die zinnen nou eens letterlijk. Dan heb je stuk voor stuk met een nachtmerrie te maken. Gelukkig duren die tot je ontwaakt en je beseft dat het niet waar kan zijn, maar indrukwekkend was het wel en je weet er geen raad mee.

Nachtmerries zijn angstdromen, ze worden meestal niet tot de werkelijkheid gerekend, maar het beeld van een losse draaiknop en een fles olie is zo gek nog niet. Niet zo gek als werkelijkheidsbeeld. De macht over de draaiknop, het stuur te verliezen veroorzaakt angst en de lege fles waar eerst olie in zat wijst er op dat grondstoffen ook op kunnen raken. Drank en sigaretten raken op, eten raakt op, geld raakt op5, de stroom raakt op, alles is eindig. En dat gegeven, dat feit maakt angstig. Het leek lang goed te gaan, de bodem van de put was lang niet in zicht, maar plotseling is het zo. We gaan naar de supermarkt en de winkel is leeg. Gisteren was het anders, toen waren de schappen nog vol, of heb ik dat gedroomd? En dan breekt de paniek los. Wat nu te doen?

Jacob rent het huis uit met een schep en begint te graven in de tuin, je weet maar nooit of er nog wat te delven valt. Nel zoekt driftig de keukenkastjes af in de hoop om nog olie te vinden, maakt niet uit welke olie, zonnebloem- olijf- of notenolie, olie is olie. Frituurvet mag ook. Wederik spoedt zich naar de schuur, want daar staat immers nog wat fietsenolie, laatst nog gezien achterin op de plank naast de schroevendoos.

Hè verdomme, nou doet het licht het niet en waarom zet Nel haar fiets toch altijd op zo’n rotplek, zo kan ik nooit die olie vinden”, klaagt Wederik in de schuur die gehoopt had de redder te kunnen zijn. Nel in de keuken heeft intussen alle keukenkastjes leeggehaald, omdat het anders onmogelijk is om er iets te vinden. En Jacob die hoopte fossiele grondstoffen naar boven te halen heeft van alles uit zijn kuil gehaald, behalve steenkool, olie of turf.

Ik kan mij herinneren dat er op zolder nog wat briketten liggen”, zegt tante Sujet op triomfantelijke toon. “Doe dat maar niet”, zegt Jacob, “Als jij eenmaal op zolder gaat zoeken, dan zien we je de komende uren niet meer terug.” Sujet laat zich niet tegen houden, ze zou wel gek zijn en ze stommelt de trap op naar de zolder en begint daar een avonturentocht door een berglandschap van vuilniszakken met oude muf ruikende kleding, hoogvlaktes van kranten, deels aangevreten door muizen en vergeeld door de vele stralen zonlicht die ondanks de schamele raampjes toch de spookzolder hebben weten te bereiken.

En nu naar bed! Welterusten.

En de volgende dag…

Niemand heeft maar één druppel olie gevonden. Tante Sujet, Jacob, Nel en de anderen zitten te neer geslagen zwijgend in de woonkamer van het grote oude huis waar niets te vinden is, althans, je vindt er nooit iets als je echt gaat zoeken. Niemand durft elkaar aan te kijken, er zijn geen redders en er zijn geen helden, de boel lijkt verloren, de ‘boel van controle en sturing’.

Maar mijn ogen kan ik niet meer open houden, het is dus bedtijd en morgen zien we wel weer verder! Welterusten. Groet, Wederik.

Goede morgen, fijn gedroomd afgelopen nacht? Geen slapeloosheid of nachtmerries meegemaakt? Goed wakker geworden? Indien u deze vragen bevestigend kunt beantwoorden, dan heeft u geluk gehad.

De bewoners van het grote oude huis verging het echter anders. Wederik kon niet slapen door de onrust die hij had, steeds maar woelen in zijn bed, zodat hij besloot om maar eerder op te staan. Nel had last van nachtmerries die elkaar opvolgden en steeds erger werden, Jacob was niet naar bed gegaan, maar in zijn stoel in slaap gesukkeld en tante Sujet is opnieuw, maar nu stiekem naar zolder geslopen omdat zij aan de drang moet toegeven om daar tussen die muffe troep rond te spoken. Zij had uiteindelijk de moed niet meer om nog naar beneden te gaan en heeft zich op een aantal zakken met oude kleren laten vallen om daar in een diepe slaap een nachtelijk avontuur te beleven als een schone slaapster die al haar hele leven wacht op een prins, die bereid zal zijn om haar te redden uit het grote oude huis.

Maar, het is al weer dag geworden, al uren lang hult de septemberzon de straat waar het oude huis zich bevindt in een witgeel licht dat probeert om via de ongewassen ruiten de kamers te bereiken. Amper lukt dat, de gordijnen, althans de lappen die dat voor moeten stellen en de vellen papier die achter de ramen zitten, houden het licht van de weldadige najaarszon tegen.

Frisse vochtige lucht omringt het huis. De zomer is weer achter de rug, de rust is na een lange droge en warme zomer wedergekeerd en september laat zich van zijn mooiste zijde zien. Niet voor niets zijn Maagd en Weegschaal vertegenwoordigd in deze maand. Het maagdelijke serene en het naar evenwicht zoekende komen goed tot hun recht in de weersgesteldheid en de natuur.

In het huis begint langzamerhand leven te ontstaan. Wederik heeft koffie gezet en zit met een gevoel van onwerkelijkheid wat te staren omdat hij met het tekort aan slaap heeft en kan tot geen enkele activiteit komen. Hij slurpt wat aan zijn koffie en hoopt dat een van de anderen het ontbijt zal klaar maken. Dat zal Nel wel worden, want Jacob slaapt nog en Sujet kun je zo vroeg toch niet van zolder afhalen.

En zo geschiedde, Nel zorgde voor de ontbijttafel en het viertal gebruikte het ontbijt met een collectief ochtendhumeur en beperkte zich daarbij tot zeer functioneel taalgebruik.

Aan het leefklimaat in het oude huis was nauwelijks iets te redden. En aan het grote buitenklimaat al helemaal niet. Dat wisten de vier bewoners van het grote oude huis wel, maar ze koesterden een valse hoop die onverwoestbaar leek te zijn.

Steeds maar elkaar voor de gek houden, moed inspreken, illusies in stand houden, morgen of anders volgende week wel wordt het leefklimaat beter en dan ook vanzelf het grote buitenklimaat, het wereldklimaat zelfs. Als we die draaiknop maar weer zouden kunnen gebruiken, als we nog maar wat olie hadden.

“In de kelder stond nog wat, in de kelder! Ik weet het zeker! Daar hebben we nog niet gekeken!” schreeuwde Sujet het uit. “Daar hebben de muizen de laatste druppels opgelikt”, beet Jacob haar toe. Moedeloos geworden liet Sujet zich in een stoel zakken.  Ze zweeg en de andere aanwezigen voegden zich naar haar zwijgen, de stilte was om te snijden.

En terwijl de zon uitbundig scheen en de buitentemperatuur aangenaam was, daalde het stof in het oude grote huis neer, als of de Tambora6 opnieuw actief was geweest. Het binnenklimaat werd nog guurder dan het al was, de winter des doods7 leek in aantocht te zijn. De keuken werd haast onbegaanbaar. Het vroor daar dat het kraakte. De keukenvloer waar regelmatig waterplassen stonden omdat men in de volheid van het vertrek het haast niet anders kon dan dat er af en toe een teiltje met water werd omgestoten, was een ijsvijver ontstaan. De beslagen ruiten waren met ijsbloemen bedekt en hierdoor kwam er nog minder licht de keuken binnen dan er al was.

Het voert nu te ver om de verschrikkingen verder te beschrijven, maar één ding is zeker, deze klimaatramp was de schuld van tante Sujet.  Als zij niet telkens zo hysterisch zou zijn en niet steeds voor een lagedrukgebied zou zorgen en ook eens haar kuren zou staken, dan, ja dan was met terugwerkende kracht zelfs de Tambora tot bedaren gebracht. Maar nu was het te laat. Het klimaat was niet meer te redden.8 Eerst een te droge en te warme zomer, ook Sujets schuld, een hittegolf waar maar geen eind aan leek te komen, de moestuin die niets opleverde en zorgde voor voedseltekort, allemaal de schuld van Sujet.

En buiten het grote oude huis leek het alsof er niets aan de hand was. Het leven was vreedzaam, de gemoederen ontspannen en de vroege herfst minzaam.  Marliesje liep hoepelend met haar vriendinnetjes Petra, Jacqueline en Antoinette in de straat waar zich het grote oude huis bevond. Ze vroeg haar vriendinnetjes om even stil te staan bij dit huis, want “weet je, dat hier mijn oom Jacob en mijn tante Sujet wonen? Het is er echt een spookhuis”, vervolgde zij.

“Laten we doorlopen, ik word een beetje bang”, zei Petra en het groepje liep snel door en ze giechelden nog wat, van de zenuwen denk ik.   Marliesje vertelde de engste verhalen over haar oom aan haar vriendinnetjes.

Die griezel wist allerlei akelige voorspellingen te doen en wist nu al dat als zij 88 jaar oud is, dat dan de zeespiegel dan zes meter (als het niet meer is) gestegen zou zijn en dat Amersfoort nu werkelijk aan zee zou liggen9 en dan zouden de zomers alleen nog maar uit hittegolven bestaan en dat het op zijn minst 40 à 50 graden zal worden. En Marliesje vervolgde:

“Droogte in de ergst denkbare vorm zal plaatsvinden, oogsten mislukken en hongersnood volgt. Bossen zullen sterven ten gevolge van droogte, als ze tenminste nog niet spontaan in brand gevlogen zijn, dieren zullen massaal uitsterven en invasieve plantensoorten krijgen de overhand. En, er zijn geen brandstoffen meer, want alle olie, gas, steenkool en uranium zijn op. De bossen zijn dan echt ter grootte van een krant10, want bomen zullen dan massaal omgezaagd zijn en verbrand omdat men ze nodig had om in de energiebehoefte te voorzien. Woestijnvorming vindt dan zelfs in Europa plaats en de Noordpool is totaal gesmolten. Orkanen zullen er zijn met een kracht zo sterk dat zij gemakkelijk wolkenkrabbers kunnen optillen en de hele provincie Groningen is totaal bezweken aan aardbevingen. Overstromingen zullen woon- en natuurgebieden permanent bedreigen. Onweersbuien zullen zo heftig zijn dat je moet onderduiken in betonnen schuilkelders die sterk genoeg zijn om een atoomoorlog te weerstaan. Hagelstenen groter dan een kangoeroebal zijn eerder regel dan uitzondering. En………………”

“Hou op, hou op!” gilde Antoinette. Het werd haar te veel, te veel angstpraat. Ook de andere meisjes hielden het niet meer uit van de angst. Zelfs Marliesje huiverde van haar eigen verhaal, ze rilde ervan en tegelijkertijd brak het zweet bij haar uit. Marliesje is gelukkig een verstandig en intelligent meisje en begreep ook dat oom Jacob een grote fantast is. Hij schept groot genoegen in het vertellen van griezelverhalen. Volgens Marliesje moet je die niet al te serieus nemen. Want hoe kan oom Jacob dat nou allemaal weten?

1 ‘Het menselijk lichaam wordt voortdurend vernieuwd en niet elke zeven jaar’ volgens de Encyclopedie van Misvattingen pag. 129, Boom Amsterdam 2002, ISBN 905352 834

3 Klimaatvervuiling bestaat niet, omdat het klimaat gedefinieerd wordt als de samenhang van weersgesteldheden gemeten over een periode van ten minste 30 jaar. Klimaat is een definitie waarin vastgesteld wordt hoe het weer zich gedraagt. Als klimaatvervuiling zou bestaan, dan zou ook ‘weervervuiling’ bestaan. Hoe ziet die vervuiling er dan uit?

4 Shell krijgt de schuld van ‘de klimaatverandering’. ‘Shell helpt’, zo luidde de campagnekreet van Shell. Maar wie helpt Shell? Wij allemaal, wij zijn totaal afhankelijk geworden van aardolie. Er is sprake van collectieve schuld. Shell moet ‘het’ oplossen, zo wordt gezegd, daarmee schuift de consument zijn verantwoordelijkheid af.

5 Relatief gezien is dat zo, maar banken verstaan de kunst om geld uit het niets te vermeerderen.

6 In 1815 was er en grote uitbarsting van de vulkaan de Tambora waardoor er in 1816 geen zomer was. De uitbarsting had dus invloed op het klimaat. Zie:https://nl.wikipedia.org/wiki/Uitbarsting_van_de_Tambora_(1815)#Gevolgen

7 Eind 2010, maar vooral eind 2011 ging het gerucht dat er een ‘horrorwinter’ zou komen. Daar bleek niets van te kloppen. Ik heb uitgebreid geïnformeerd bij het KNMI en ook zij kunnen niets voorspellen over het verloop van de winter. Ook niet met de geavanceerde apparatuur en grafieken zijn zij niet in staat om drie maanden de verwachting weer te geven.

Zoals zij zelf zeggen: “ook beukennootjes tellen helpt niet”.

Toch werd deze ‘verschrikkelijke winter’ serieus voorspelt in het Vlaamse tijdschrift Knack, zie: https://www.knack.be/nieuws/planet-earth/horrorwinter-op-komst/article-normal-30484.html

En weer tegengesproken door zoals ik net al zei, het KNMI:

https://www.nu.nl/wetenschap/2652486/winter-doods-niet-voorspellen.html

8Red het klimaat…is één van de kreten die ik signaleer als het over het klimaat gaat. Daarover valt meer te lezen bij Alledaagse Verschijnselen: schuif met uw muis naar beneden en lees het betoog over het fenomeen ‘redden’.   Alleen fysieke zaken of levende wezens kunnen gered worden., dat is mijn conclusie.

9 Net zoals Salomon Kroonenberg in zijn boek ‘Siegelzee’ beschrijft: “Zo’n 120.000 jaar geleden stond de zeespiegel zes meter hoger dan nu, en lag Amersfoort aan zee.”

10 Net zoals in het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem: “Een stukje bos ter grootte van een krant”.

Een Sprookje met Everhard

Er was eens een gracht in Amsterdam.
Deze gracht heette de Fluweelen Voorburgwal.

En er was eens een burgemeester van diezelfde stad als waar die gracht zich bevond, en zijn naam was Everhard . Eigenlijk meer een naam voor een koning, maar die was er al en men vond het nogal overbodig om twee koningen te hebben. Eén koning was eigenlijk al te veel, maar het volk durfde hem niet weg te doen uit Angst voor Veranderingen. Griezelig gewoon.
Die koning had het ook moeilijk, net als zijn volk. Hij zat opgescheept met een koningin die het volk op haar beurt weer had opgescheept met een ernstige ziekte, namelijk Persoonsverheerlijking. En het volk was niet meer te genezen, tenzij………

Burgemeester Everhard had het ook al verschrikkelijk moeilijk, maar op een dag……….

Maar op een dag, op een zonnige ochtend in september, ontving Everhard, een brief.
De man was net een kopje koffie zonder suiker en zonder melk aan het drinken in zijn werkkamer in het Grote Vergaderpaleis op het moment dat er aan de rijk versierde deur hard geklopt werd.
Ons burgemeestertje riep luid “Ja!” en daarop betrad onmiddellijk een bode de werkkamer die met élégance van heb ik jou daar naar het bureau van Everhard liep, om hem vervolgens een brief te overhandigen dat op een glinsterend zilveren ovaalvormig dienblad lag. Het dienblad had de bode ooit nog gekregen van een oude vrouw die hem op straat, niet ver van het Grote Vergaderpaleis, aanklampte en de woorden sprak: ”alsjeblieft bode, dit blad zal je nog goed van pas komen, maar geef het niet weg, want daar komen ongelukken van”.

Everhard bedankte de bode en deze, kleine en slimme man van eind vijftig begroette de burgemeester met een hoofdknikje en verliet in stilzwijgen de vorstelijke kamer.
Everhard vulde zijn kopje met nog wat koffie en met trillende handen probeerde hij de brief te openen. Het ging een beetje moeilijk, want ons burgervadertje had geen briefopener bij de hand en een schaar kon hij ook zo gauw niet vinden.
Hij legde de brief op zijn bureau, gunde zijn handen even wat rust, omdat hij last kreeg van neuropathie en dan heb je plotseling geen kracht meer in je handen en wordt het openen van een brief beslist geen succes meer.

Enkele minuten later, Everhard dacht dat hij het nu wel aankon deed hij weer een poging om de brief, waarvan niet zeker was wie de afzender was, het stond niet op de envelop geschreven, te openen.
En nu wel met de schaar, het gereedschap lag binnen handbereik in het pennenbakje voor zich, maar hij had het ding zoals gewoonlijk over het hoofd gezien.

De brief bleek afkomstig te zijn van twee ministeries, te weten van Het Ministerie van Kwakzalverij en Het Ministerie van Angst & Straf. Foei, dat viel niet mee om van twee ministeries tegelijk één brief te krijgen.
De brief was wat rommelig getypt en bevatte veel taalfouten, maar inhoudelijk stelde het niet veel voor. Het was wel even schrikken om een dergelijke brief te krijgen, maar de boodschap of eigenlijk het voorstel in die brief viel wel mee.

De burgemeester zuchtte en las voor de zekerheid de brief eens zorgvuldig.
De beide ministeries kwamen met het voorstel om met de burgemeester een afspraakje te maken. Dan zouden de ministers hoogst persoonlijk en ook hoogst waarschijnlijk samen met ons burgervadertje uit eten gaan in een heus paddenstoelenrestaurant.
“Dat zie ik wel zitten”, dacht hij “ik hoop wel dat ze het betalen, want mijn geld is op”.

Nu las Everhard wel vaker een brief onzorgvuldig, en zo gebeurde het dat hij niet gelezen had wat er in kleine letters onderaan de brief stond geschreven dat ‘men vriendelijk verzoeke betaalmiddelen in welke vorm dan ook thuis te laten’ en ‘men er goed aan zou doen ’s Rijks Traktatie voor de Goede Orde geheel geheim te houden.’

Everhard was zich van zijn leeshandicap bewust en las de brief nog een keer en gelukkig had hij ditmaal de kleine letters gezien, goed gelezen en begrepen.

De burgemeester kon nu zonder zorgen op de uitnodiging ingaan en schreef ter bevestiging een kort briefje terug. En mocht de Goede Orde of diens vertegenwoordiger langs komen, nou, dan zou Everhard zoals gewoonlijk zwijgen als het graf.

Drie dagen later, het was volle maan geworden, vond de afspraak plaats.
Everhard, Onklaar, minister van Kwakzalverij en Ernaast, minister van Angst & Straf had afgesproken bij het paddenstoelenrestaurant ‘Het Mycelium’ gelegen aan de Fluweelen Burgwal. Beide ministeries hadden daar een tafeltje gereserveerd.

Nou, de heren namen het er goed van, dat kan ik jullie zeggen. De paddenstoelenmix die aanbevolen werd op het grote schoolbord dat in de half verduisterde ruimte nog net te lezen was viel prima en de speciale drank ‘Bocht’ werd gulzig en in grote hoeveelheden achter over geslagen.
De obers renden af en aan. Karaffen met de drank die exclusief gebrouwen was voor het restaurant, werden in groten getale aangesleept alsof het wel leek dat men de vloeistof wilde gebruiken om een woestijn in zee te veranderen. En misschien zou dat ook wel kunnen, want in sprookjes is alles mogelijk.

Everhard genoot volop. En de ministers ook, want ook zij hoefden niets te betalen, dat zou het ministerie van Verkwisting wel regelen. En, zoals gezegd zou de Goede Orde er ook niets van te weten komen en het volk ook in de eerste instantie niet, want de rekening van dit bacchanaal vergezeld met een bord paddenstoelen zal in het geheel verdwijnen in de Nationale Beerput die is ondergebracht bij het ministerie Stank & Bederf.

De avond vorderde en buiten schitterde de maan in een witte volle gloed. De avond was zwoel en op de Wal sprankelde het van het leven. Het wemelde van toeristen die hun ogen uitkeken naar de rood verlichte etalages en soms lachend voorbij liepen.

De drie mannen raakten alle geleidelijk aan in een eigenaardige roes. Was het de ‘Bocht’ of waren het de paddenstoelen die hen in zware nevelen hulden?
In ieder geval werd het Everhard iets te veel en gaf te kennen dat hij even een luchtje wilde scheppen. De ministers vonden het wel best, zo konden zij onderling en zonder het burgervadertje erbij het op een akkoordje gooien. En zo geschiedde. Everhard verliet het restaurant en begaf zich even later in een wonderlijke wereld aan de gracht.

Wat een leven, wat een warmte, wat een vrolijkheid. Het leek wel of alles wel zachter, mooier en liefelijker was geworden. Everhard was in een euforische stemming gekomen en vergat dat hij een dinertje had met twee ministers die uit de verre stad Den Haag gekomen waren. Over die twee zal ik het zo nog wel hebben, maar eerst wil ik jullie nog even vertellen hoe het Everhard verging.

Onze ‘Ever’ (zo werd hij door bekenden ook vaak genoemd) stond voor het restaurant wat dromerig voor zich uit te staren. Toeristen liepen soms schreeuwend en zingend voorbij, velen liepen zachtjes te praten en naar van alles te wijzen. Ever zuchtte eens diep en kreeg ineens zin om maar eens wat te gaan lopen. Dat deed hem goed en weldra voelde hij zich fitter dan in het restaurant waar hij zich nog niet zo lang geleden een beetje beroerd begon te voelen, maar de buitenlucht en wat beweging deden wonderen, en er zouden nog meer volgen.

En zo slenterde hij vol verbazing over de gracht en zonder te beseffen waar hij was en waarheen hij liep liet hij zich meevoeren in een droomwereld vol kleur en glinstering.
Everhard voelde zijn hoofd gloeien en tegelijkertijd zijn hele lijf tintelen. Geluid ervoer hij intenser als anders en hij raakte gefascineerd door alles en iedereen wat maar bewoog.
Het water in de gracht klotste zachtjes tegen de kademuur.
Heel erg langzaam liep hij door en stond uiteindelijk stil voor een etalage van een winkel.
Hij verloor zich in het spektakel dat zich achter de etalageruit afspeelde en werd door het adembenemende tafereel in beslag genomen. Wat was dit precies, wat gebeurde hier?
Hij had het gevoel dat hij zich niet meer kon voortbewegen, het leek alsof hij plotseling vastgenageld aan de straatstenen was. Hij weekte los van de buitenwereld en was bijna één geworden met de magische gebeurtenis die zich in de kleine fel verlichte erker van de winkel bevond. Hij kreeg het steeds warmer en straaltjes koud zweet dat overal vandaan leek te komen gaf hem een aangenaam gevoel. Zijn hoofd was omgeven door een zachte prikkelende wolk, het leek wel ijle lucht of een ijl soort energie te zijn.

Everhard sloot even zijn ogen en hoorde een zacht klikkend geluid dat van alle kanten leek te komen. Hij probeerde zich te herinneren waar hij dit geluid eerder had gehoord, maar plotseling verdween het weer en besloot hij zijn ogen te openen. Hij probeerde zich weer los te maken van deze magische wereld, dat lukte en liep langzaam verder.

Al vrij gauw zag hij een man tegemoet komen die een vreemd stralend voorwerp op zijn rechterhand ongeveer ter hoogte van zijn hoofd droeg. Naarmate de man dichterbij kwam werd het duidelijk wat het stralende voorwerp was en herkende de burgemeester dit als het zilveren dienblad van de bode. Die man was niemand minder dan zijn eigen paleisbode.

“Goedenavond burgemeester”, sprak de man luid en met een enthousiasme dat wat gekunsteld overkwam. De brede grijns op zijn gezicht leek meer op de grimas van een clown, overacteren was de kleine slimme bediende niet vreemd, maar nu was het toch wel een tikkeltje overdreven.
Everhard was met stomheid geslagen en het duurde even voordat hij besefte wat er nu gaande was. Er viel een korte stilte.
“Ja, ik ben het, uw eigen bode Nestor van het Grote Vergaderpaleis, ziet u!”
“Ja, nu, nu, nu, zie ik het”, stamelde onze burgervader en het leek alsof hij nog niet helemaal door had het met zijn eigen trouwe Nestor te doen te hebben.
De bode boog een beetje met zijn hoofd naar Zijne Hogere en sprak:

“Burgemeester, neemt u mij niet kwalijk dat ik u stoor, maar ik wist waar u zich bevond en heb u onopvallend kunnen gadeslaan. Vergeef het mij alstublieft, ik kon niet anders dan zo te handelen. Ik heb de opdracht gekregen van een Geestelijk Wezen om u te redden.
En daarom schenk u de Ontgoochelstaf.”

De staf lag op het dienblad en Everhard pakte het voorwerp ervan af.
“Dank u, nNestor, waar, waar, waar zzdient deze fvoor?” Het spreken ging Everhard nog steeds moeilijk af, hij sprak een beetje met een dikke tong, maar zijn woorden bereikten Nestor nog voldoende verstaanbaar.
“Deze Ontgoochelstaf mijnheer kunt u gebruiken om uw eigen hachje te redden. Het is nu het juiste moment om de staf te gebruiken. De magische paddenstoelen doen zijn werk, het is volle maan, het weer is goed, de sterren staan in een goede positie, het universum is u goed gezind.
Maar, het volk mort, er gaan geruchten rond over onbetaalde rekeningen en men geeft u overal de schuld van. Het enige wat u nu moet doen is, dat u zich verplaatst in een magiër, met de staf in de lucht zwaait, en de spreuk uitspreekt die ik hier op een briefje heb staan.
Voer het uit, en vooral sierlijke bewegingen met die staf maken, anders werkt de Ontgoocheling niet. Hier is dat briefje, succes ermee, ik ga u nu direct verlaten, ik heb nog een andere opdracht te doen, gegroet waarde burgemeester!”
En in een flits was de bode verdwenen en ietwat verbouwereerd bleef Everhard op de kade achter.

Everhard voelde nog wat schroom om zijn magische kunsten te gaan uitvoeren.
“Als de mensen mij als hun burgemeester hier zo bezig zien, dan is het geroddel niet van de lucht en dan kan ik mijn burgemeesterschap verder wel vergeten. Schichtig keek Everhard om zich heen.
“Nee, geen bekenden te bespeuren, al kan ik dat in deze toestand het niet precies beoordelen”, dacht hij. “Maar stel je nu eens voor dat ik zo dadelijk aangesproken word door een bekende of iemand van het Grote Vergaderpaleis? Tja, wat dan? Of……”
De burgemeester voelde zijn hart tekeer gaan en het zweet gutste over zijn lijf dat het een aard had. Nu moest hij het doen, ja nu, maar hij durfde het niet. Zijn euforie doofde uit en sloeg om in een angstige stemming. Zachtheid werd kilheid en de gracht zag er dreigend uit.
“Wat nu?” Hij voelde paniek opkomen. “Rustig aan nu, ademhalen. Hoe deed ik in de therapie bij juffrouw Twinkel ook al weer?”
En zo sprongen de gedachtes van onze Everhard van de hak op de tak, richtingloos en ongrijpbaar. Dit hield een tijdje aan, totdat er en zacht briesje om zijn hoofd waaide dat een gunstig effect op de man had en Everhard voelde zijn ledematen wat slap worden en voelde dat er wat ontspanning in zijn lichaam kwam.
Een weldadig gevoel kwam als een warme golf over hem heen.
Plotseling hoorde Everhard een zacht gefluister. Hij hoorde het heel erg dichtbij.
Het leek van verschillende kanten te komen en Everhard probeerde te verstaan wat er precies gezegd werd. Het klonk onverstaanbaar, maar langzamerhand werden de klanken woorden.
“Sta stil”, klonk het, “luister naar mij”. Everhard gehoorzaamde de stem. “Je bent veilig, maak je geen zorgen, maar doe wel wat ik je zeg en praat niet terug, anders zal ik verdwijnen en dan zoek je het maar alleen uit.”
“Loop nu langzaam de gracht af”, ging de stem verder en let goed op de huisnummers. Niet heel erg nadrukkelijk kijken. Als je sommige nummers niet goed kan zien, dan geeft het niet. Ontspan je, je loopt geen gevaar…….”
Everhard ontspande wat en liep rustig verder en af en toe keek hij zo onopvallend mogelijk naar de huisnummers.
Tot nu toe was hij geen bekenden tegengekomen, gelukkig maar, al kon je maar nooit weten.
“Langzaam lopen, je loopt te snel en, op de nummers blijven letten”, beval de stem.
Everhard gehoorzaamde, maar vroeg zich wel zo langzamerhand af wat nu eigenlijk de bedoeling was, maar het vragen durfde hij het niet. “Hoe laat zou het zijn?” dacht hij.
Hij had geen horloge om en liep op iemand af om de tijd te vragen, maar net op dat moment voelde hij een ruk aan zijn jasje en werd door een onzichtbare hand weggetrokken om te voorkomen dat ons ‘Evertje’ zou gaan spreken, want dat was nou net niet de bedoeling.

“Let nu goed op”, sprak de stem weer. “Loop nu naar nummer 27, sta daar stil en wees niet bang. Waar is je stafje gebleven en heb je het briefje met de magische spreuk nog? Antwoord niet, maar toon mij beide”. Everhard was intussen bij nummer 47 aangekomen, stopte even en haalde de staf en het briefje zwijgzaam tevoorschijn.
“Goed zo, houd beide op ooghoogte, prima, zo is het goed”, vervolgde de stem.
“Laat maar zakken, maar stop ze niet weg. Loop nu verder door naar nummer 27. Blijf doorademen en ontspan je. Nu is het moment aangebroken dat je het stafje moet gaan gebruiken, let nu goed op wat ik je zeg……..”
Everhard liep rustig verder en bereikte het pand met nummer 27, bleef stil staan en tuurde voor zich uit met zijn hoofd een beetje schuin naar beneden. Hij begon wat af te dwalen met zijn gedachten, maar al snel vroeg de stem zijn aandacht weer.

“Houd het stafje in je rechterhand als je rechtshandig bent en het briefje in je andere hand of omgekeerd natuurlijk. Je gaat nu de magische toer uithalen om je hachje te redden en wees niet bevreesd: niemand zal je herkennen, niemand zal acht op je slaan, ik maak je onzichtbaar en als je klaar bent verschijn je weer vanzelf. Alleen je stem blijft, daar kan ik niets aan doen, dat moet nou eenmaal.”

Everhard zuchtte en werd een beetje zenuwachtig en de stem sprak:

“Pak het briefje, lees de spreuk hardop voor en zwaai zo sierlijk als je kan met het stafje, begin nu!”
Everhard las met een trilling in zijn stem de eerste woorden van de spreuk en voelde zich wat duizelig worden. De wereld om hem heen leek wel te vergaan, het ging allemaal erg snel, er was zelfs te weinig tijd om na te denken en binnen enkele tellen merkte hij dat hij onzichtbaar geworden was. Zonder moeite las hij de rest van de spreuk en zwaaide zo sierlijk mogelijk met het stafje. De omgeving tolde om hem heen, een storm stak op en hij zag een bijna verblindende lichtflits. Een bulderend geluid was hoorbaar, het geluid van glasgerinkel leek overal vandaan te komen en de sterren vielen uit de hemel. Een engelenkoor hief een gezang aan, het werd plotseling kouder en het begon te sneeuwen. In groten getale renden paleisbodes af en aan met dienbladen zo groot dat er wel koetsen met zes aangespannen paarden op konden staan. Het water in de gracht veranderde in vloeibaar goud en de huizen smolten zodanig dat er slechts plasjes overbleven. Behalve het pand met nummer 27, dat bleef fier overeind bleef staan.

“Stop nu maar met zwaaien”, beval de stem. “Zo is het wel genoeg, zo fanatiek hoeft het nou ook weer niet.”
De burgemeester bedaarde en zag dat hij weer zichtbaar geworden was.
Hij voelde zich weer helemaal normaal en zag dat het weer gewoon dag geworden was. De zon scheen en de gracht zag er normaal uit, maar toch anders dan hij gewend was. Wat vervreemd keek hij om zich heen en hij besefte niet helemaal wat er gebeurd was. Hij had een klein briefje in zijn linkerhand en een ontgoochelstafje in de andere. Hij probeerde het briefje te lezen, maar daar stond slechts wat onleesbaar gekrabbel op.
Hij maakte van het briefje een propje en wilde het weggooien, maar werd op dat moment nog net tegengehouden door de stem: “doe dat niet beste man, gooi het nog niet weg, maar stop het in je linker broekzak. Bewaar ook het stafje en stop dat in de binnenzak van je colbert. Kijk goed om je heen, probeer de verschillen hier op de gracht in vergelijking met gisteravond te zien.”
Everhard deed het en de verschillen op de gracht, hier aan de Wal begonnen hem op te vallen.
“Dat ziet er beter uit dan gisteravond, dat moet ik de ministers laten zien, zodat zij overtuigd raken dat onze stad met Sodom en Gomorra te vergelijken echt wel wat overdreven is.”
De Ontgoocheling had gewerkt en achter verschillende etalageruiten waar de avond ervoor nog dames in ondergoed heupwiegend in een rood lichtschijnsel hun act stonden op te voeren,
zag het er nu naar uit dat zij in bevroren toestand als paspoppen uitgedost in pakjes van modieuze couturiers achter de ramen stonden te pronken. Met hun levenloze en starre blik staarden ze je aan en uit hun hitsige lijven van de avond ervoor was al hun wellust en verleiding ontnomen.

Everhard nam het pand met nummer 27 eens goed in zich op.

Op de voorruit stond in sierlijke letters ‘Restaurant Het mycelium’ geschreven.
“Daar …….” Heb ik gisteravond nog met twee ministers gegeten, wilde Everhard zeggen, maar hij bedacht zich nog net, want hij wilde de stem nog niet missen.
“Mmmmm, ga dat restaurant binnen, er wacht iemand op je”.
En Everhard deed wat hem gezegd werd. Er zaten geen gasten, behalve aan één tafeltje zat een vrouwtje, een meisje haast, zo jong zag zij er uit. Ze wenkte de burgemeester en nodigde hem uit om aan haar tafeltje te gaan zitten.
Everhard ging op haar uitnodiging in en wist even niets te zeggen, nee, hij mocht ook niets zeggen. De vrouw, of eigenlijk de juffrouw keek hem aan met een liefelijke glimlach en haar ogen straalden en fonkelden als zoals je nog nooit gezien had.
“Nu mag je weer praten”, fluisterde ze hem toe met net precies dezelfde stem die Everhard al die tijd begeleid had. “Ik heet Moetske en ben in werkelijkheid een Reddende Engel.”
De burgemeester die nu iets mocht zeggen kon het niet want hij was met stomheid geslagen.
Hij voelde zijn wangen gloeien en ze zouden nu wel roder kleuren als Zijn Partij ooit eens lang geleden was.
En hij zuchtte eens diep en vroeg haar hoe dit alles toch mogelijk was geweest.

Zij wilde alles vertellen, maar nu eerst….. moeten jullie slapen gaan, en morgen na het ontbijt zal Moetske jullie het één en ander onthullen! Droom maar fijn en…….tot morgen!
Slaap lekker en zet vooral de wekker!

We vervolgen.

Het is nu ochtend geworden en we verplaatsen ons weer naar restaurant ‘Het Mycelium’ alwaar Moetske en onze burgemeester zich bevinden en er een geheim aan het licht zal komen dat zijn weerga niet kent.

Moetske vertelde Everhard over haar magische krachten en dat zij in staat was om van Engel in Mens te veranderen, uiterlijk dan. Zij kon zichzelf in verschillende gedaantes, al naar gelang de omstandigheden, veranderen. Of zij kon zichzelf onzichtbaar maken en haar stem rond laten zweven in nabijheid van een werelds figuur die in nood bijgestaan moest worden of een moeilijke taak te verrichten had.

Moetske en Everhard hadden nu wel zin in een kop koffie en zij vroegen zich af waar die ober zich nu eigenlijk ophield. Het duurde nu wel erg lang en zo veel tijd was er niet meer.
“Zullen we er ook een gebakje bij nemen?” vroeg Moetske aan de burgemeester.
“Nou, als er maar geen paddenstoelen in zitten”, antwoordde Everhard met een glimlach op zijn gezicht.
“Welnee burgemeester, het is gewone chocoladetaart met slagroom, geloof me maar, ik ken dit restaurant al heel erg lang”, antwoordde Moetske waarbij ze met haar liefelijke hoofdje wat dichter bij de burgemeester kwam om bij hem wat meer vertrouwen te wekken.

En daar kwam eindelijk de ober. Hij liep gracieus naar het tafeltje van Everhard en Moetske.
Hij droeg een ovaalvormig zilveren dienblad op zijn rechterhand. Hij maakte een kleine buiging en met een brede grijns op zijn gezicht en wat spot in de ogen, zo leek het, vroeg de kleine man wat de beide gasten wensten te gebruiken.

Er viel een korte stilte. Moetske nam het woord, want Everhard, die terstond bleek werd van schrik wist al weer geen stom woord uit te brengen. En eigenlijk ook geen wonder, want de ober was Everhards trouwe bediende, Nestor, maar nu verkleed in een oberpak. Ook deze rol speelde hij voortreffelijk. Moetske bestelde bij hem twee koffie en twee chocoladetaartjes met slagroom.

Nestor de ober noteerde de bestelling op zijn kleine blocnote en met snelle pas ging hij naar de bar om de bestelling in gereedheid te brengen. Weldra kregen de burgemeester en Moetske de koffie met gebak die met het nodige egard geserveerd werden door Nestor die telkens met gevoel voor stijl Zijn Eigen Burgemeester van dienst is. Of het nu in Het Grote Vergaderpaleis of in dit eenvoudige restaurant is, het maakt geen verschil voor de Onderdanige die buigt en knipt, echter, wel zijn rug recht weet te houden, nooit uit zijn rol valt en altijd vergezeld is van zijn zilveren dienblad.

Nestor was trots op zijn dienblad, hij kon niet meer zonder en hij zou nogal gek wezen het ooit weg te geven. Hij had goed naar het oude vrouwtje geluisterd en bleef zich haar woorden herinneren die ze eens lang geleden zei op het moment dat zij hem het blad ten geschenke gaf op de gracht nabij het Grote Vergaderpaleis.
Sindsdien had Nestor de oude vrouw nooit meer ontmoet.

Geruisloos verliet Nestor de dinerzaal van het restaurant en trok zich terug in de keuken.

Moetske en Everhard raakten zo langzamerhand in een intieme conversatie verzeild. Hun stemmen klonken gedempt, maar het gesprek leek wel gedreven te worden door een onstuitbare energie en het enthousiasme spetterde zodanig dat het niet veel scheelde of…..
Moetske had de burgemeester spannende zaken te vertellen.
Zo vertelde zij wat er met de ministers gebeurd was sinds zij waren achterbleven in het restaurant.
En ook wist zij te vertellen waar de oude vrouw gebleven was die het dienblad aan Nestor geschonken had. Met haar was het niet zo goed afgelopen, en jullie weten waarom.
Tja…., die ministers….., die ministers zijn gevallen, zoals dat vaker met bewindslieden voorkomt. Zij vielen in een donker zwart gat. Nestor had de mannen een duwtje gegeven bij dat gat net op het moment dat zij het restaurant wilden verlaten. Zo gaat dat soms als men zich overgeeft aan een schranspartij, een gulzig slempen en het verduisteren van openstaande rekeningen.
En niemand heeft het ooit gemerkt en nooit meer sprak men nog over Onklaar & Ernaast, dat moge duidelijk zijn.

De koffietijd was nu wel voorbij en het werd nu wel eens tijd om een middagmaal te gaan nuttigen, maar dan natuurlijk niet in het paddenstoelenrestaurant, Moetske en de burgemeester keken wel uit. Zij riepen Nestor en deze vervoegde zich aan het tafeltje van de twee die al bijna onafscheidelijk leken geworden te zijn.
Moetske betaalde de rekening, gaf nog een flinke fooi en Nestor nam met een buiging en een bescheiden glimlach het geld in ontvangst.

Enkele ogenblikken later stonden de burgemeester en Zijn Reddende Engel buiten voor het restaurant.

Het was zonnig en er stak een briesje op. Een lekker fris septemberweertje. Everhard en Moetske vielen in elkaars armen en de omhelzing duurde lang.
Het stel leek nu wel een Siamese tweeling, zo innig waren zij met elkaar verenigd.
De verstrengeling werd een ogenblik onderbroken en de twee keken elkaar aan met een vurige blik, zo intens dat het voor een normaal mens niet te verdragen zou zijn, zo krachtig dat zij in staat waren om gebouwen uiteen te laten spatten en dat wisten zij, daarom keken zij niet op of om. Hun ogen straalden zo fel, dat de stralen met gemak de sterren ver in het universum zouden kunnen bereiken en ze kunnen laten imploderen tot zwarte gaten.
Nee, hier zijn eigenlijk geen woorden voor, ook al zou je alle delen van de Intiemreeks gelezen hebben en je laten verleiden door de donkere spelonken waarin toch altijd weer een streepje licht gloort en dat Zij Het Licht is in de Duisternis. En Hij een Rots in de Branding en dat zij verdrinken in het Meer van Hun tedere Ogen terwijl zij elkaar aan zullen trekken als magneten. Haar weelderige donkerbruine lokken, haar glooiende fijnzinnige neusje en haar zinnelijke lippen waren van een onverschrokken schoonheid, zo zou je de allermooiste prinsessen van Samarkand nooit aantreffen. Haar fluweelzachte huid glansde en als zij glimlachte verschenen er kuiltjes in haar wangen. En Hij, prins der prinsen met zijn sterke en warme mannenlichaam was onverwoestbaar en een baken in zee. Een held, waar Arminius van Teutoburg maar een kleine nietsnut bij is. Een oppergod, en wat al niet meer……..

En nu volgde een kus, ik zal er verder geen woorden aan vuilmaken.

En wat toen gebeurde houdt niemand voor mogelijk, maar gebeurde toch:

Ze versmolten zo in elkaar dat er slechts en plasje overbleef. Dat verdampte in een korte tijd en het is nu nog steeds zo dat daar op de kade in het plaveisel zich een kleine donkere plek bevindt die met geen mogelijkheid te verwijderen is, hoe goed de mannen van stadsreiniging ook hun best doen.

EINDE.

Waanzin

Waanzin 3

De Wereld is Knettergek

De Wereld is beangstigend en fascinerend tegelijk.

Ik haat deze tijd met al zijn Waanzin, maar verbaas mij steeds meer over de gigantische, bijna onmetelijke hoeveelheid aan mogelijkheden. Ik probeer mij staande te houden en zo min mogelijk van de haat te voelen. We leven hier op een planeet met miljarden mensen en vormen nu ongeveer 5 procent van alle mensen die ooit geleefd hebben. Alles op deze planeet is massa, massa, massa, massa, massa, massa.

Ik kan de wereld, dat zijn de mensen dus en de techniek niet bevatten.   Ik probeer in mijn eigen wereld te leven, maar heb ook met de buitenwereld te maken. Ik bevind mij nu in mijn eigen enorme gevoelswereld, waarin mij steeds meer duidelijk wordt en ik mijzelf, maar anderen toch ook steeds meer begrijp en ik zie dat we kunnen overleven.  Ik kan mijn traumatische ervaringen overleven, wij kunnen het verlies van dierbare familieleden overleven, mensen uit concentratiekampen kunnen overleven, uit oorlogsgebieden, martelkamers, angst, verwaarlozing, slechte ouders, vreselijke ziektes, onderdrukking, afschuwelijke pijn, rampen, eenzaamheid.

De productiviteit is onmeetbaar groot. Het aantal mensen dat produceert is een ongelofelijk groot aantal. Per mens¹ is de hoeveelheid voorwerpen, kunstwerken, boeken, muziekwerken, teksten, maaltijden, apparaten en machines, speelgoed, huishoudelijke artikelen, opgeslagen spullen, kleding, fantasieën, wel en niet uitgevoerde projecten, foto’s en films, ideeën, theorieën, ideologieën en filosofieën groot, en alles in veelvoud, en veel van hetzelfde. Veel in variaties.

Er worden mooie dingen, ideeën, kunst en gebruikskunst gemaakt, met de hand en in fabrieken, meubels, curiosa, opsmuk, en overbodige producten.

Er zijn duizenden kilometers asfalt waarover miljoenen auto’s rijden die mensen en producten vervoeren die elders gedumpt worden langs de weg of in de bossen of in supermarkten en warenhuizen, koophallen en kringloopwinkels. Er is energieverspilling en men denkt dat er ook tijdverspilling is en het geld dat niet bestaat verplaatst zich met de snelheid van het licht over en door de aardbol. Het geld raakt nooit op, want het plant zich voort net zoals de vreemdste materie op deze planeet, de levende wezens.

Er komt nooit een eind aan de groei en de waanzin is compleet. De levende wezens zijn nutteloos, zij houden koste wat kost zichzelf in stand zonder enig doel. Een zandkorrel is wijzer dan de hele mensheid bij elkaar.  En twee zandkorrels zijn wijzer dan de rest.

Waarom hebben wij bewustzijn? Waarom doen wij alle moeite om te overleven?

Het is de waanzin die ons drijft. Wij zorgen slecht voor onze eigen soort.

En wat hebben wij nog meer?    Het afval. En plastic soep. En vuilnisbelten, neergegooid en weggewaaid afval, overal en in huizen, straten en natuur. Langs wegen en in de rivieren. In de bossen en de bermen. Gescheiden in plastic afvalzakken of papierverzamelbakken.

De wereld is ook vol met verzamelingen. Van alles wordt er verzameld. En tentoongesteld. En nooit weggegooid. Er zijn ook verschrikkelijk veel gebouwen, huizen en flats.

De Wereld is Knettergek,

Knettergek en IK ben het ook. Maar hoe kan ik dat eigenlijk objectief bepalen. Wat is niet Knettergek? Is de Wereld Waanzinnig? Laat ik het dan maar ‘een onmetelijke verbazing’ noemen.

Miljarden mensen, ieder met zijn of haar leven. Met in elk leven duizenden gebeurtenissen. Vreselijke en schokkende gebeurtenissen. Mooie, lieve warme en gevoelige gebeurtenissen. Te veel aan gebeurtenissen, die ook weer herinneringen worden. En opgeloste raadsels en nieuw geboren mysteries. Situaties waar wij nooit bij zijn, alleen hij of zij die zijn of haar geheimen in de eeuwigheid zal meenemen. En wat bezielde deze mens toen deze zich in het ravijn liet vallen? Wist degene die te pletter sloeg dat het zou gaan gebeuren? Waar bleef die ziel die het leven zelf was?

Waarom kan mij niemand uitleggen wat oneindig is?

Heeft de mens het heelal geschapen?

Ik spreek een mens en zij heeft een leven met een web aan ervaringen en ontmoetingen. En ik heb ook zo’n web en herinneringen en voorstellingen en dromen. En ik schrijf duizenden woorden en stuur ze de wereld in. En u doet het ook en die ander ook. En in ons lichaam vinden ontelbare processen plaats en in onze hoofden ook. Waar sla ik mijn herinneringen op? Soms ook buiten mij, omdat er van binnen geen ruimte meer is?

En ik heb ook een energiewolk om mij heen, mijn aura. Met informatie.

Kan dit eigenlijk wel? Bestaat het ook? Bestaat er niets? Is stilte een verzinsel?   Is alles projectie? Verbeelding?  Kan ik bewijzen dat het waar is? Voel ik het echt?

Hebben wij die vragen al niet eens eerder gesteld?

Bedenk nou eens een nieuwe vraag.

Echt nieuw, nooit door iemand ooit eerder, waar en wanneer dan ook gesteld.

Ik weet het niet, ik weet er geen, anders wordt het een absurde vraag:

Kan een fiets klarinet spelen?”

of

Is een suikerpot ook zonder suiker een suikerpot?”

Ik denk dat alle vragen al gesteld zijn.

Nee, dat kan niet, want tijdens en na mij komen er nog miljoenen, waarschijnlijk miljarden mensen met vragen.

Of niet soms?

Vroeg de mens zich in de oertijd, dat is heel erg lang geleden, al van alles af?

Of deed het er niet toe? Vroegen mensen zich vijfduizend jaar geleden zich ook al van alles af?

Het is Waanzinnig te bedenken dat we voortdurend in het heden leven.

En ook waanzinnig dat ik mijn eigen verleden zelf kan verzinnen en wijzigen.

Want, kan ik het bewijzen?

Heb ik echt in een huis gewoond zoals ik dat in één van mijn verhalen schrijf?

Met alle details en maar een paar van alle honderden gebeurtenissen die er plaatsvonden?

Ik zou het best allemaal verzonnen kunnen hebben.

Het huis bestaat. Dat weet ik zeker.

En de personages bestaan.

Maar het verhaal, de verhalen, waanzinnig om ze allemaal meegemaakt te hebben.

Ik heb het meegemaakt en dat te midden van duizenden voorwerpen, dingen, ja hoe noem je dat, stukken en stukjes afval, samen met vier en ook wel vijf andere mensen met hun eigen beleefwereld.   Als elk onderdeeltje van de massa in dat huis een verhaal, een geschiedenis heeft, dan omvat Het Huis duizenden verhalen.   Zelfs het stof vertelt iets, want dat kwam niet zomaar naar beneden dwarrelen. Letterlijk genoeg stof om verhalen te vertellen. Ik vertel het verhaal over een huis dat de waanzin van een mens blootlegt.   De vele voorwerpen, kapotte spullen, afval en vuil vertellen het verhaal van een eenzaam en tot wanhoop gedreven mens die te midden van al haar hersenspinsels en soms met het gezelschap om haar heen een hachelijk spel speelt om haar eigen veiligheid te bewerkstelligen. Maar, zij schiet steeds gaten in haar eigen verdediging.

En dan moet zij telkens opnieuw beginnen. Dat doet zij ook.

Al is de verdediging aan flarden geschoten en lijkt deze op een uiteen gereten lap die niet meer te repareren valt, omdat de stof al bijna tot stof vergaan is,toch wordt de strijd voortgezet.

¹Per mens in het rijkere deel van wereld, want: ik heb een gevulde koelkast (met biologische producten), ik heb een dak boven mijn hoofd, ik kan mijn verwarming aanzetten, ik heb een fiets, een minischootbureautje (alsof je daar gelukkig van wordt), een goed gevulde boekenkast, kleding, muziek in overvloed, ik heb talenten, intelligent ben, ambitieus, ben hooggevoelig, kan liefhebben, maar, wil ik er bij stil staan dat ik inderdaad in een behoorlijke luxe leef en tot grote ergernis nog in staat ben om een hele reeks miskopen er op na te houden en de overbodige spullen dan maar naar de kringloopwinkel breng….je staat er niet zo stil bij, maar hoewel ‘toestand in de wereld’, en er gezien de actualiteit niet veel zal veranderen, mogen we niet vergeten dat met al wat wij hebben dat we onze eigen realiteit niet uit het oog mogen verliezen en dat wij nagenoeg allemaal ‘afhankelijk zijn’, dat we in een systeem leven dat gebaseerd is op ongelijkheid, dat we in een schijnvrijheid leven, wel genoeg eten hebben, maar dat dit voedsel van slechte kwaliteit is, dat we voedsel weggooien, dat wij koopslaven zijn en overbodige troep blijven kopen, soms hypocriet en opportunistisch zijn, want al hoor ik bij de 8% rijkeren der wereld, ik in feite weer tot de armeren uit die groep behoor, maar toch nog twee keer zoveel geld heb als een gemiddelde Hongaar of minstens vier keer zoveel als een Roemeen, maar dat ik wel minstens 65% vaste lasten per maand heb.

© Rudolf Veenedaal, 18-12-16, hier ter plekke op Aarde, bijgewerkt op 2 maart 2019.

De Ontmoeting

“Advertentie:

Ik zoek AFHAKERS. Ik zoek mensen die ervaring hebben met ‘afhaken’.
Mensen die uit de gevangenschap van ‘het systeem’ gestapt zijn.
Simon”

Ik ontving diverse reacties, één kwam er van de ‘Overwinnende’. Hij leeft al jaren buiten het systeem en het leek mij wel interessant om hem te ontmoeten. Een uitgebreide correspondentie volgde over een te maken wandelafspraak (zijn voorstel) die uiteindelijk niet doorging. Jammer. We lieten het erbij. We zouden wel zien verder. Een half jaar later ontving ik van hem geheel onverwacht een bericht: “ Zullen wij aanstaande donderdag iets afspreken, De Overwinnende.”

Nu kwam ik op mijn beurt met het voorstel om een wandeling te gaan maken, omdat wandelen met een onbekende de conversatie vergemakkelijkt. Ik herinnerde mij dat er in de reeks berichten die al eerder een poging tot wandelen had moeten bewerkstelligen, eens het idee naar voren gekomen was, om naar station Maarsbergen te reizen. Van daaruit kun je zo de natuur in, zo schreef eens de ‘Overwinnende’.
Het leek mij een goed plan om dit oudere idee, dit voorstel, alsnog in de praktijk te brengen.

De ‘Overwinnende’ reageerde op mijn voorstel dat het “eventueel ook in/rond Amstelburg ” mocht zijn, met een geruststellend ‘hoor’ er aan toegevoegd.
Ik schreef hem daarop dat we in Amstelburg zouden kunnen gaan wandelen aan de hand van een gids ‘Amstelburg buitennatuurlijk’ die ik net had aangeschaft. In dit boek staan ‘natuurwandelingen’ in en om de stad en ik dacht dat het dan wel leuk zou zijn om er eentje te gaan lopen. De eerste wandeling start bij de Tranentoren tegenover het Middelstation, vlakbij het begin van de Gelderse Vallei.

De volgende dag antwoordde De Overwinnende op mijn voorstel mij als volgt:
“Ik vind het fijner om niet in de stad te beginnen, en ook de wandeling door de natuur te maken, het liefst ver van ‘de bewoonde wereld…
Misschien is het beter dan om niet bij een station af te spreken…
Ik ga erover nadenken, mazzel”

De eerst volgende zaterdag na dit bericht zouden we kunnen gaan wandelen, maar de weersvooruitzichten voor die dag (80 % kans op neerslag) waren niet zo gunstig, wel voor de zondag. En ik stelde voor om vooral niet in/om Amstelburg te gaan wandelen in verband met ‘de Veldloop’, dat is echt geen pretje liet ik mijn toekomstige wandelkameraad weten. Ik kwam op het idee om naar Aelbrechtsberg te gaan, dat is een klein station en je kunt van daaruit gelijk de natuur in. Een nieuw tegenvoorstel kwam al spoedig van mijn aanstaande wandelgenoot:

“Als je wilt kunnen we dan zondag in Haarzuilens afspreken? Dat is makkelijker voor mij qua planning
mazzel”
Het werd zaterdagavond en ik had nog steeds geen zekerheid over het plan van volgende dag, de zondag.
Die avond schreef ik hem:

“Morgen is het zondag en ik heb niets meer van je vernomen over de plek waar we elkaar treffen in Haarzuilens en hoe laat.
Ik weet niet waarop ik kan rekenen. En morgenochtend pas of later zekerheid krijgen over wat we gaan doen, vind ik erg bezwaarlijk.
De Veldloop van Amstelburg vindt vlakbij mijn woning plaats en aangezien ik niet tegen die drukte (een gekkenhuis) kan, wil ik zo bijtijds mogelijk ontsnappen en de stad uit. Voor mij is het ondoenlijk om dan afhankelijk te zijn van jouw besluit. Het patroon van de vorige keer herhaalt zich en we komen niet tot een concrete afspraak, omdat het toch te moeilijk lijkt te zijn voor jou om een compromis te sluiten.
Dat is mijn gedachte hier over. 
Het spijt mij oprecht, maar ik heb besloten om geen afspraak meer te maken omdat het mij te veel energie kost om mij steeds te plooien naar een andere mogelijkheid om iets af te spreken. En ik vind dat ik mijn grens duidelijk moet aangeven.
Het ga je goed,
Hartelijke groet,
Simon.”

Op zondagmorgen kreeg ik een reactie:

“Goedemorgen Simon,
Dat spijt me werkelijk, ik had je graag in het ‘echt’ willen ontmoeten, maar begrijp uiteraard jouw beslissing…
Vandaag ben ik bij het armoedefestival in Hoofdzuilen, en als je eventueel toch even weg wilt, dan ben je van harte welkom….muziek, dialoog, inspirerende mensen en een gezamenlijke maaltijd, et cetera.
Wellicht tot ziens(alsnog)
De Overwinnende”

Ik ging op weg naar Hoofdzuilen. In Hoofdzuilen aangekomen was het zeer zonnig en warm. Echt weer om te wandelen en dat deed ik ook.
Ik liep langs het nieuwe stadhuis en de bouwterreinen in de omgeving van het Middel Station en het Beursgebouw waar hopelijk iets mooiers komt dan het verguisde ‘Hoog Chagarijne’ (ja, ik weet het, een beetje een afgeleefd cliché), al vrees ik dat het niet veel soeps zal worden. Nu is het station en omgeving een ratjetoe van gebouwen die er nooit hadden mogen komen. Hoe kun je nu hier uit nog iets moois maken? Nu is het een onoverzichtelijke chaos van versleten en half gesloopte gebouwen, bouwputten en hier en daar al wat nieuwbouw. Wat een bende. En via deze bende, het ellende-eiland van de stad Hoofdzuilen, het symbool van mislukte projectontwikkelingsarchitectuur, een monsterlijk gezwel dat, als het in de Tweede Wereld Oorlog had bestaan met toestemming door de Duitsers gebombardeerd had mogen worden, deze grauwe betoncatastrofe, begaf ik mij naar nota bene een armoedefestival.
Het station zelf gaat nog wel en de opknapbeurt heeft de hal, die voor mij te groot is en eerder aan een hal van een vliegveld doet denken, wel wat overzichtelijker gemaakt. Maar echte veranderingen hebben niet plaatsgevonden, dezelfde vreetwinkels en overbodige rotzooihandel die je op elk station ziet is gebleven. Ik ben niet de eerste die deze afzichtelijke wanstaltige troep, waar ‘de dynamietstaven alsnog ingebracht mogen worden’ probeert te beschrijven. Vast ook niet de laatste. En helpt allemaal niets, zoals er niets op welk gebied dan ook helpt in deze desastreuze wereld.
Ach, hoe symbolisch kan zo’n stationsgebied dat, of het nu gesloopt wordt of niet, toch zijn! Een symbool van kapitalistische verspilling en nutteloze consumptie. En dat in contrast met de armoede van enkele kilometers verder op zoals die in een festival gestalte krijgt. Ergens op een grasveldje in de Flores wijk.

Ik liep via een straat waar döner kebab zij aan zij ging met döner kebab, de Turkse bakker als linkerbuur döner kebab en als rechterbuur een Turkse groentezaak had en aan de overzijde van de straat hetzelfde soort neringen. Ik liep door de buurt die al aankondigde niet een villawijk te naderen. Naarmate ik dichterbij het festivalterrein kwam, leek het er op dat het gemiddelde inkomen van de bewoners daalde. Ik zag er sombere woonblokken met kleine woninkjes van een troosteloze architectuur uit de jaren twintig schat ik zo.

Het terrein waar het feestje plaatsvond besloeg een klein grasveld met wat tenten en tentjes er op. Ik belde de Overwinnende om te weten of hij zich ook op het terrein bevond. Ik hoorde slechts de automatische telefoonbeantwoorder. Het enige dat ik kon doen, was inspreken en hopen op een antwoord.
Ik slenterde wat rond over het terrein en dronk er een bekertje koffie. Ik voelde dat het etenstijd was en met mijn koffie zocht ik een plekje om mijn laatste brood te eten. Dat was vlak bij het ‘blikgooien’. Ik zat er rustig en ik keek naar het spel.

Na mijn maaltijd besloot ik een bericht te sturen om mijn precieze verblijfplek aan de Overwinnende kenbaar te maken.
“Ik zit bij het blikgooien”, zond ik hem.
Geen antwoord.
Ik belde hem nog vijf of zes maal en kreeg telkens weer hetzelfde bandje te horen. Na anderhalf uur werd ik ongeduldig. Om wat te doen te hebben ging ik ‘blik gooien’ en het ging mij niet slecht af. Ja, nu won ik eens iets. Een balpen van het Leger des Heils en een minirolletje pepermunt.
Ik dwaalde nog wat rond, sprak nog enkele mensen en toen werd het tijd om duidelijkheid te krijgen of de Overwinnende zich op het terrein bevond. Want stel nou, dat zijn telefoon uit stond.

Ik liep naar de man die het programma van het festival presenteerde. Ik vroeg hem of hij voor mij een oproep wilde doen en aan het publiek wilde vragen of er niet een ‘Overwinnende’ aanwezig was en dat hij zich dan bij mij wilde melden. Dat wilde hij wel doen. Ik had met de presentator afgesproken, dat ik op een duidelijk zichtbare plaats naast het podium, onder een wel zeer opvallende boom zou staan. Zo kon hij mij zeker vinden.
De hoop was nog niet verloren. Ongeduldig wachtte ik het moment af dat de presentator, daar de spreekstalmeester genoemd, voor mij het verlossende woord zou gaan voeren. Hij besteeg het podium. Hij greep zijn microfoon, tik tik, ja hij deed het. De spanning steeg.
“Dames en heren, graag nodig ik voor u hier op het podium de volgende mensen uit…..”
Er volgden wat namen, drie personen beklommen het podium en de spreekstalmeester begon met hen een gesprek. Geen oproep. Dit begreep ik niet.
Hij zou toch……..dat leek mij logisch……….Mijn zenuwstelsel kon dit niet aan en ik maakte een gebaar richting podium, richting presentator dat ik geen tijd meer had. Het gebaar kwam bij hem over en werd begrepen en ik verliet met een verslagen gevoel het festivalterrein.

’s Avonds thuis schreef ik:

“Dag Overwinnende,
Spijtig genoeg hebben wij elkaar ook bij het festival niet ontmoet. Ik heb daar ter plekke nog wel vijf keer geprobeerd je telefonisch te bereiken en ook nog een bericht gestuurd. Tegen zessen ben ik maar weer vertrokken en terug naar huis gegaan. Hierbij wil ik het laten, voel je vrij als je nog wilt reageren, maar verder contact lijkt mij zinloos, al heb ik de indruk dat je een sympathiek mens bent.
Groet, Simon.”

Vooruitblik speciaal voor de belangstellenden van Culturele Verschijnselen een  fragment: 

De Laborant

Vervolgens liep ik naar het kleine kamertje naast het logeervertrek.   Drie wanden waren nog steeds knaloranje en de vierde, de muur waar zich het raam bevond en waardoor je zicht had op de achtertuin, was donkergroen. Het prikbord hing er ook nog. Een erfenis van mijn mijn oudste zus Katrien die dit hok ooit als eigen kamer had en dat later dienst gedaan heeft als mijn scheikundig laboratorium.     

Er bevond zich een stalen gaskachel die niet aangesloten was, maar wel als tafeltje diende en dat was handig, want een schoenendoos met enveloppen had ook wel recht op een eerbiedwaardige plaats…..

 Zie ook de fotoserie:  ‘Speelweide, vondsten uit het Muizenpaleis en daarna’.

Maar nu eerst een ander verhaal.

De Wereld is Knettergek

De Wereld is beangstigend en fascinerend tegelijk.

Mijn wereld is beangstigend en fascinerend tegelijk.

Mijn huis is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De omgeving van mijn huis is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De weg waaraan ik woon is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De stad, het land, de wereld, ikzelf en anderen.

Mijn huis is mijn wereld, mijn geest, mijn ziel, zij zijn het ook.

Als ik de straat op ga, is dat daar, buitenshuis, is dat nog wel mijn wereld, of die van anderen? Waar ligt de grens en hoe valt deze te bepalen? Sommigen gingen mij voor met diezelfde vragen, ik stel ze ook.

Als ik de straat op ga, dus eerst de trap af, sloten opendraaien, de deur openen (de brievenbus is al half open en kleppert), toont zich een aparte wereld.

Het felle zonlicht komt mij tegemoet en ik zie een deel van mijn tuintje. Het zonlicht lijkt van links te komen en ziet er ongewoon fel uit, alsof er geen bomen meer staan, alsof alles wat eerst ter linkerzijde stond verdwenen is. Maar dat blijkt gelukkig niet waar te zijn, zie ik even later. Ik til mijn fiets naar buiten en zet hem tegen de buitenwand van het woonpand. Nu kan ik de huisdeur sluiten, maar doe het nog niet. Eerst inspecteer ik mijn tuintje. Hoe staat alles erbij, zijn er veranderingen waarneembaar?

Alles lijkt normaal.

Ik licht mijn tuintje door (afspeuren) en het lijkt alsof er nauwelijks iets veranderd is. Op het paadje ligt een afgewaaid takje van de Hazelaar, dat lag er gisteren ook al. Precies op dezelfde plek. Ik wil het pakken, maar ik beheers mij en laat het zo liggen. Een pril klaverplantje groeit op het kruispunt van vier tegels, maar ik laat het staan. De planten in het tuintje zien er normaal uit en er ligt niets vreemds onder of tussen de begroeiing.

Het hekje aan de straatkant vertoont geen afwijkingen.

Nu kan ik gaan en sluit de voordeur. Dan volgt het dwangritueel met de sloten en daarna mag ik van mijzelf gaan fietsen.  En als ik fiets dan kom ik in een andere wereld terecht die mee veranderd in de richting dat ik fiets en waarneem. Sommigen zeggen dat dit, het waarnemen de enige werkelijkheid is die bestaat, ik denk daar anders over, maar denk wel dat ikzelf en alles daarbuiten twee werelden zijn die op een onbeschrijfelijke manier met elkaar in contact zijn.

Ik fiets in een wereld die, ik heb al eens een poging gedaan om deze te beschrijven hoe deze krankzinnig in elkaar zit, als ik zelf stilsta bij wereld en het leven die we samen maken en breken. Hoe meer vragen, hoe waanzinniger en des te boeiender, enger de massaliteit is. Maar een zandkorrel kan het allemaal niets schelen en het harige wilgenroosje ook niet.

Waarom is mijn denken belangrijk? Omdat ik leef. Anders kan ik net zo goed niet leven. Is denken leven? Ben ik belangrijk? Is mijn bestaan van invloed op de wereld. Want als dat zo is, dan is de wereld knettergek of juist niet. Doet het er toe of ik leef? Of dat een andere willekeurige fietser leeft? Die fietser niet, misschien. Als hij mij opmerkt, dan bevind ik mij in zijn gezichtsveld en ook bevind ik mij waarschijnlijk in zijn denkveld. Totdat één van ons twee uit het zicht verdwijnt.

Maar nu ga ik mijn wereld mijn waarnemingsveld en denkveld verkleinen. Ik sta dus in de deuropening en laat mijn waarnemingsveld en denkveld als een ballonnetje leeglopen totdat ik een kleine ballon overhoud, niet helemaal een lege dus.

De wereld wordt wat overzichtelijker. En reikt nog niet verder dan de begroeiing tegenover mijn deuropening.

Maar eigenlijk wil ik nu het ballonnetje nog meer leeg laten lopen.

Het mag niet slap worden. Wel kleiner. Tijd ontsnapt uit de ballon en ik ga terug in het verleden.

De wereld wordt kleiner en de deur is gesloten. Mijn fiets staat op de trap. En ik kijk naar mijn het vakje dat zich pal achter de brievenbus bevindt. Daar lag jaren geleden een biljet van 1000 Turkse Lira. Oud Turks geld, nu niet meer in omloop en totaal niets meer waard.

Wat later vond ik vlak achter de brievenbusklep een klein reepje chocola. Waren dit reepje en het biljet afkomstig van dezelfde gever?

Hier bleef het niet bij, want op mijn deurmat vond ik eens een popje, een beertje voorzien van een gestreept pakje met een groot rood hart er op. Ook ontving ik van een zekere Jeroen een verjaardagskaart waarop “een fijne 112ste verjaardag” toegewenst werd. Had ik te maken met een geheimzinnige aanbidder? Een geniale gek, iemand die wil plagen?

Ik maak nu een stap van de brievenbus naar de deur zelf. Ik blaas het ballonnetje een klein beetje op, één kleine ademstoot van ruimte en tijd.

Nog meer cadeautjes dienen zich aan., zij het niet zulke plezierige. Op een avond kwam ik laat thuis en ik wilde mijn voordeur openen, de sleutel paste niet. Ik vroeg een buurman te hulp. Hij kwam op het idee om een magneet te gaan halen. Het magneet trok een speld uit het slot. Ik kon het slot weer opendraaien.

Nu ga ik nog een stapje verder naar de buitenwand van het woonpand, naar de bel, eigenlijk een zoemer.  ´s Nachts geschrokken van een indringende aanbeller tussen drie en vier uur, keihard en herhaaldelijk. Ook een maal vroeg in de ochtend en eens tijdens en middagdut vond hetzelfde plaats. De draden van de zoemer heb ik doorgeknipt.

De bel, de zoemer dus, is aan de houten buitenwand bevestigd. Jarenlang zette ik mijn fiets tegen die wand. Op een avond wilde ik naar een bijeenkomst van goedgezinde mensen gaan in een binnenstedelijke tempel. Ik verliet mijn huis via de deur die mijn wereld toegang verschaft tot de wereld die knettergek is. Het was donker. Ik stapte naar buiten, ik keek richting fiets en wilde de voordeur sluiten. Mijn fiets stond er niet meer. Een grote schok ging er door mij heen. Ik sloot de voordeur en liep een stukje het park in dat zich vlak naast het woonpand bevindt. Mijn fiets was nergens te bekennen. Maar mijn intuïtie wel. Ik kreeg de ingeving dat ik mijn fiets terug zou krijgen. En zo geschiedde, de volgende dag. Een andere buurman had mijn Gazelle ergens in de bosjes gevonden.

De Hemelse Geschenken bleven komen. Mijn voordeur werd besmeurd met mosterd, een koffiemok met de beeltenis van Ludwig von Beethoven (of was het W. A. Mozart?) was op het afstapje van mijn deur geplaatst, glasscherven op het pad voor mijn deur, een glazen pot met een troebele inhoud, een rotte courgette, een opscheplepel, twee muizenklemmen met de muizen er nog in, zeer demonstratief neergelegd op de composthoop, een zak met kleding, nog eens glasscherven en weer een zakje met kleding. Maar ditmaal opgehangen aan de deurknop. Ik keek in dat zakje en ik zag op de bodem een horloge waarvan ik zo op het eerste gezicht niet kon inschatten of het veel geldelijke waarde kon hebben. Op het opstapje bij mijn voordeur lag een hasjpijpje. Niet veel later hing er een knalroze koptelefoon aan de deurknop en een minifietslampje en vond ik op het paadje voor mijn huis kindersokken.

Een kartelmes trof ik eens aan gestoken boven in een van de palen van het tuinhekje.

Plotseling zag ik dat er boven mijn deur een lampekapbolletje aan de lampenhouder gedraaid was, een ongevraagde actie van een dezelfde buurman die mijn fiets vond. Onmiddellijk draaide ik hem los en legde hem op de compostbak die nu dienst doet als vuilnisbak. Was het een dag later? Ik weet het niet precies, maar de bol was aan diggelen gesmeten, de splinters waren ver gekomen, ik vond nog enkele, opvallend grote, verscholen tussen de planten van mijn tuintje. Mijn tuintje was dicht begroeid en de gewone vogelmelk stond in bloei. Een kleine groene weelde.   Een aangetaste weelde. Want, tussen het groen, lagen verborgen de walgelijkheid, de ziekelijkheid, twee patserige zonnebrillen die zo’n groot contrast vormden met de begroeiing in mijn tuintje, de geschenken van een buitenstaander uit de krankzinnige buitenwereld.

Die buitenstaander gaat soms heel precies te werk. Zo trof ik mijn tuintje eens aan met kleine paaseitjes die in de bomen waren opgehangen en ook op de grond lagen en bij eens struikje was een vilten hertje neergezet. Zo snel mogelijk heb ik deze rotzooi verwijderd, al had het ook wel iets lachwekkends. Zelfs de tweede lading glasscherven waar ik het eerder over had, was zorgvuldig, gelijkmatig over het paadje voor mijn huis neergelegd.

Alles lijkt nu weer normaal.