Verhalen

‘Het was zaterdag’,  fragment uit Het Muizenpaleis.

Ik ging naar beneden naar de woonkamer, de voorkamer met een erker waar planten half levend achter een eeuwig omlaag hangende zonnewering van een soort bamboe verscholen stonden en ten gevolge van een eigenzinnig soort verzorging zich ontwikkelden tot nieuwe soorten.
Waar de zonnewering ontbrak, waren tegen de ruiten stukken papier aangebracht. Deze werden overdag verwijderd om het daglicht nog een kans te gunnen in het sombere kranten- papier- en stofparadijs dat zich overal als een consequente inrichtingsstijl had vastgezet in het avontuurlijkste huis van onze buurt en waarvan de geur nog af en toe in mijn neus aanwezig lijkt te zijn.
De woonkamer waar ik in ‘mijn’ stoel zat, ééntje die nog verschoond was van, wat ik zou willen noemen ‘passieve verzameldwang’ bevond zich onder de slaapkamer van mijn moeder.
Ik bladerde de plaatselijke krant door in afwachting van haar ontwaken……….
Tot zover.

Het Muizenpaleis omvat een aantal verhalen die zich afspelen in het het huis waar de verteller zijn jeugd doorbracht. Een desolate en bizarre wereld waarin vervuiling en verval plaatsvindt. Lees niet meer¹ verder bij Nederland Schrijft.

¹ Tot 1 oktober kon dat nog wel, maar mijn verhalen zullen voortaan hier bij Culturele Verschijnselen te lezen zijn.

Vooruitblik speciaal voor de belangstellenden van Culturele Verschijnselen een  fragment:  ‘De Laborant’.

Vervolgens liep ik naar het kleine kamertje naast het logeervertrek.   Drie wanden waren nog steeds knaloranje en de vierde, de muur waar zich het raam bevond en waardoor je zicht had op de achtertuin, was donkergroen. Het prikbord hing er ook nog. Een erfenis van mijn mijn oudste zus Katrien die dit hok ooit als eigen kamer had en dat later dienst gedaan heeft als mijn scheikundig laboratorium.      Er bevond zich een stalen gaskachel die niet aangesloten was, maar wel als tafeltje diende en dat was handig, want een schoenendoos met enveloppen had ook wel recht op een eerbiedwaardige plaats.

Verder nog de restanten van het in verval geraakte chemielab: een kastje met glaswerk………

 Binnenkort een fotoserie:  ‘Vondsten uit het Muizenpaleis’.

Maar nu eerst een ander verhaal.

De Wereld is Knettergek

De Wereld is beangstigend en fascinerend tegelijk.

Mijn wereld is beangstigend en fascinerend tegelijk.

Mijn huis is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De omgeving van mijn huis is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De weg waaraan ik woon is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De stad, het land, de wereld, ikzelf en anderen.

Mijn huis is mijn wereld, mijn geest, mijn ziel, zij zijn het ook.

Als ik de straat op ga, is dat daar, buitenshuis, is dat nog wel mijn wereld, of die van anderen? Waar ligt de grens en hoe valt deze te bepalen? Sommigen gingen mij voor met diezelfde vragen, ik stel ze ook.

Als ik de straat op ga, dus eerst de trap af, sloten openen, deur openen (de brievenbus is al half open en kleppert), opent zich een aparte wereld. Het felle zonlicht komt mij tegemoet en ik zie een deel van mijn tuintje. Het zonlicht lijkt van links te komen en ziet er ongewoon fel uit, alsof er geen bomen meer staan, alsof alles wat eerst ter linkerzijde stond verdwenen is. Maar dat blijkt gelukkig niet waar te zijn, zie ik even later. Ik til mijn fiets naar buiten en zet hem tegen de buitenwand van het woonpand. Nu kan ik de huisdeur sluiten, maar doe het nog niet. Eerst inspecteer ik mijn tuintje. Hoe staat alles erbij, zijn er veranderingen waarneembaar?

Alles lijkt normaal.

Ik licht mijn tuintje door (afspeuren) en het lijkt alsof er nauwelijks iets veranderd is. Op het paadje ligt een afgewaaid takje van de Hazelaar, dat lag er gisteren ook al. Precies op dezelfde plek. Ik wil het pakken, maar ik beheers mij en laat het zo liggen. Een pril klaverplantje groeit op het kruispunt van vier tegels, maar ik laat het staan. De planten in het tuintje zien er normaal uit en er ligt niets vreemds onder of tussen de begroeiing.

Het hekje aan de straatkant vertoont geen afwijkingen.

Nu kan ik gaan en sluit de voordeur. Dan volgt het dwangritueel met de sloten en daarna mag ik van mijzelf gaan fietsen.

En als ik fiets dan kom ik in een andere wereld terecht die mee veranderd in de richting dat ik fiets en waarneem. Sommigen zeggen dat dit, het waarnemen de enige werkelijkheid is die bestaat, ik denk daar anders over, maar denk wel dat ikzelf en alles daarbuiten twee werelden zijn die op een onbeschrijfelijke manier met elkaar in contact zijn.

Ik fiets in een wereld die, ik heb al eens een poging gedaan om deze te beschrijven hoe deze krankzinnig in elkaar zit, als ik zelf stilsta bij wereld en het leven die we samen maken en breken. Hoe meer vragen, hoe waanzinniger en des te boeiender, enger de massaliteit is. Maar een zandkorrel kan het allemaal niets schelen en het harige wilgenroosje ook niet.

Waarom is mijn denken belangrijk? Omdat ik leef. Anders kan ik net zo goed niet leven. Is denken leven? Ben ik belangrijk? Is mijn bestaan van invloed op de wereld. Want als dat zo is, dan is de wereld knettergek of juist niet. Doet het er toe of ik leef? Of dat een andere willekeurige fietser leeft? Die fietser niet, misschien. Als hij mij opmerkt, dan bevind ik mij in zijn gezichtsveld en ook bevind ik mij waarschijnlijk in zijn denkveld. Totdat één van ons twee uit het zicht verdwijnt.

Maar nu ga ik mijn wereld mijn waarnemingsveld en denkveld verkleinen. Ik sta dus in de deuropening en laat mijn waarnemingsveld en denkveld als een ballonnetje leeglopen totdat ik een kleine ballon overhoud, niet helemaal een lege dus.

De wereld wordt wat overzichtelijker. En reikt nog niet verder dan de begroeiing tegenover mijn deuropening.

Maar eigenlijk wil ik nu het ballonnetje nog meer leeg laten lopen.

Het mag niet slap worden. Wel kleiner. Tijd ontsnapt uit de ballon en ik ga terug in het verleden.

De wereld wordt kleiner en de deur is gesloten. Mijn fiets staat op de trap. En ik kijk naar mijn het vakje dat zich pal achter de brievenbus bevindt. Daar lag jaren geleden een biljet van 1000 Turkse Lira. Oud Turks geld, nu niet meer in omloop en totaal niets meer waard.

Wat later vond ik vlak achter de brievenbusklep een klein reepje chocola. Waren dit reepje en het biljet afkomstig van dezelfde gever?

Hier bleef het niet bij, want op mijn deurmat vond ik eens een popje, een beertje voorzien van een gestreept pakje met een groot rood hart er op. Ook ontving ik van een zekere Jeroen een verjaardagskaart waarop “een fijne 112ste verjaardag” toegewenst werd. Had ik te maken met een geheimzinnige aanbidder? Een geniale gek, iemand die wil plagen?

Ik maak nu een stap van de brievenbus naar de deur zelf. Ik blaas het ballonnetje een klein beetje op, één kleine ademstoot van ruimte en tijd.

Nog meer cadeautjes dienen zich aan., zij het niet zulke plezierige.

Op een avond kwam ik laat thuis en ik wilde mijn voordeur openen, de sleutel paste niet. Ik vroeg een buurman te hulp. Hij kwam op het idee om een magneet te gaan halen. Het magneet trok een speld uit het slot. Ik kon het slot weer opendraaien.

Nu ga ik nog een stapje verder naar de buitenwand van het woonpand, naar de bel, eigenlijk een zoemer.

´s Nachts geschrokken van een indringende aanbeller tussen drie en vier uur, keihard en herhaaldelijk. Ook een maal vroeg in de ochtend en eens tijdens en middagdut vond hetzelfde plaats.

De draden van de zoemer heb ik doorgeknipt.

De bel, de zoemer dus, is aan de houten buitenwand bevestigd.

Jarenlang zette ik mijn fiets tegen die wand. Op een avond wilde ik naar een bijeenkomst van goedgezinde mensen gaan in een binnenstedelijke tempel. Ik verliet mijn huis via de deur die mijn wereld toegang verschaft tot de wereld die knettergek is. Het was donker. Ik stapte naar buiten, ik keek richting fiets en wilde de voordeur sluiten. Mijn fiets stond er niet meer. Een grote schok ging er door mij heen. Ik sloot de voordeur en liep een stukje het park in dat zich vlak naast het woonpand bevindt. Mijn fiets was nergens te bekennen. Maar mijn intuïtie wel. Ik kreeg de ingeving dat ik mijn fiets terug zou krijgen. En zo geschiedde, de volgende dag.

Een andere buurman had mijn Gazelle ergens in de bosjes gevonden.

De Hemelse Geschenken bleven komen. Mijn voordeur werd besmeurd met mosterd, een koffiemok met de beeltenis van Ludwig von Beethoven (of was het W. A. Mozart?) was op het afstapje van mijn deur geplaatst, glasscherven op het pad voor mijn deur, een glazen pot met een troebele inhoud, een rotte courgette, een opscheplepel, twee muizenklemmen met de muizen er nog in, zeer demonstratief neergelegd op de composthoop, een zak met kleding, nog eens glasscherven en weer een zakje met kleding. Maar ditmaal opgehangen aan de deurknop. Ik keek in dat zakje en ik zag op de bodem een horloge waarvan ik zo op het eerste gezicht niet kon inschatten of het veel geldelijke waarde kon hebben. Op het opstapje bij mijn voordeur lag een hasjpijpje. Niet veel later hing er een knalroze koptelefoon aan de deurknop en een minifietslampje en vond ik op het paadje voor mijn huis kindersokken.

Een kartelmes trof ik eens aan gestoken boven in een van de palen van het tuinhekje.

Plotseling zag ik dat er boven mijn deur een lampekapbolletje aan de lampenhouder gedraaid was, een ongevraagde actie van een dezelfde buurman die mijn fiets vond. Onmiddellijk draaide ik hem los en legde hem op de compostbak die nu dienst doet als vuilnisbak. Was het een dag later? Ik weet het niet precies, maar de bol was aan diggelen gesmeten, de splinters waren ver gekomen, ik vond nog enkele, opvallend grote verscholen tussen de planten van mijn tuintje.