Verhalen

Alle rechten voorbehouden. © Culturele Verschijnselen 2018. Zie ook de pagina over auteursrechten.

De Ontmoeting

“Advertentie:

Ik zoek AFHAKERS. Ik zoek mensen die ervaring hebben met ‘afhaken’.
Mensen die uit de gevangenschap van ‘het systeem’ gestapt zijn.
Simon”

Ik ontving diverse reacties, één kwam er van de ‘Overwinnende’. Hij leeft al jaren buiten het systeem en het leek mij wel interessant om hem te ontmoeten. Een uitgebreide correspondentie volgde over een te maken wandelafspraak (zijn voorstel) die uiteindelijk niet doorging. Jammer. We lieten het erbij. We zouden wel zien verder. Een half jaar later ontving ik van hem geheel onverwacht een bericht: “ Zullen wij aanstaande donderdag iets afspreken, De Overwinnende.”

Nu kwam ik op mijn beurt met het voorstel om een wandeling te gaan maken, omdat wandelen met een onbekende de conversatie vergemakkelijkt. Ik herinnerde mij dat er in de reeks berichten die al eerder een poging tot wandelen had moeten bewerkstelligen, eens het idee naar voren gekomen was, om naar station Maarsbergen te reizen. Van daaruit kun je zo de natuur in, zo schreef eens de ‘Overwinnende’.
Het leek mij een goed plan om dit oudere idee, dit voorstel, alsnog in de praktijk te brengen.

De ‘Overwinnende’ reageerde op mijn voorstel dat het “eventueel ook in/rond Amstelburg ” mocht zijn, met een geruststellend ‘hoor’ er aan toegevoegd.
Ik schreef hem daarop dat we in Amstelburg zouden kunnen gaan wandelen aan de hand van een gids ‘Amstelburg buitennatuurlijk’ die ik net had aangeschaft. In dit boek staan ‘natuurwandelingen’ in en om de stad en ik dacht dat het dan wel leuk zou zijn om er eentje te gaan lopen. De eerste wandeling start bij de Tranentoren tegenover het Middelstation, vlakbij het begin van de Gelderse Vallei.

De volgende dag antwoordde De Overwinnende op mijn voorstel mij als volgt:
“Ik vind het fijner om niet in de stad te beginnen, en ook de wandeling door de natuur te maken, het liefst ver van ‘de bewoonde wereld…
Misschien is het beter dan om niet bij een station af te spreken…
Ik ga erover nadenken, mazzel”

De eerst volgende zaterdag na dit bericht zouden we kunnen gaan wandelen, maar de weersvooruitzichten voor die dag (80 % kans op neerslag) waren niet zo gunstig, wel voor de zondag. En ik stelde voor om vooral niet in/om Amstelburg te gaan wandelen in verband met ‘de Veldloop’, dat is echt geen pretje liet ik mijn toekomstige wandelkameraad weten. Ik kwam op het idee om naar Aelbrechtsberg te gaan, dat is een klein station en je kunt van daaruit gelijk de natuur in. Een nieuw tegenvoorstel kwam al spoedig van mijn aanstaande wandelgenoot:

“Als je wilt kunnen we dan zondag in Haarzuilens afspreken? Dat is makkelijker voor mij qua planning
mazzel”
Het werd zaterdagavond en ik had nog steeds geen zekerheid over het plan van volgende dag, de zondag.
Die avond schreef ik hem:

“Morgen is het zondag en ik heb niets meer van je vernomen over de plek waar we elkaar treffen in Haarzuilens en hoe laat.
Ik weet niet waarop ik kan rekenen. En morgenochtend pas of later zekerheid krijgen over wat we gaan doen, vind ik erg bezwaarlijk.
De Veldloop van Amstelburg vindt vlakbij mijn woning plaats en aangezien ik niet tegen die drukte (een gekkenhuis) kan, wil ik zo bijtijds mogelijk ontsnappen en de stad uit. Voor mij is het ondoenlijk om dan afhankelijk te zijn van jouw besluit. Het patroon van de vorige keer herhaalt zich en we komen niet tot een concrete afspraak, omdat het toch te moeilijk lijkt te zijn voor jou om een compromis te sluiten.
Dat is mijn gedachte hier over. 
Het spijt mij oprecht, maar ik heb besloten om geen afspraak meer te maken omdat het mij te veel energie kost om mij steeds te plooien naar een andere mogelijkheid om iets af te spreken. En ik vind dat ik mijn grens duidelijk moet aangeven.
Het ga je goed,
Hartelijke groet,
Simon.”

Op zondagmorgen kreeg ik een reactie:

“Goedemorgen Simon,
Dat spijt me werkelijk, ik had je graag in het ‘echt’ willen ontmoeten, maar begrijp uiteraard jouw beslissing…
Vandaag ben ik bij het armoedefestival in Hoofdzuilen, en als je eventueel toch even weg wilt, dan ben je van harte welkom….muziek, dialoog, inspirerende mensen en een gezamenlijke maaltijd, et cetera.
Wellicht tot ziens(alsnog)
De Overwinnende”

Ik ging op weg naar Hoofdzuilen. In Hoofdzuilen aangekomen was het zeer zonnig en warm. Echt weer om te wandelen en dat deed ik ook.
Ik liep langs het nieuwe stadhuis en de bouwterreinen in de omgeving van het Middel Station en het Beursgebouw waar hopelijk iets mooiers komt dan het verguisde ‘Hoog Chagarijne’ (ja, ik weet het, een beetje een afgeleefd cliché), al vrees ik dat het niet veel soeps zal worden. Nu is het station en omgeving een ratjetoe van gebouwen die er nooit hadden mogen komen. Hoe kun je nu hier uit nog iets moois maken? Nu is het een onoverzichtelijke chaos van versleten en half gesloopte gebouwen, bouwputten en hier en daar al wat nieuwbouw. Wat een bende. En via deze bende, het ellende-eiland van de stad Hoofdzuilen, het symbool van mislukte projectontwikkelingsarchitectuur, een monsterlijk gezwel dat, als het in de Tweede Wereld Oorlog had bestaan met toestemming door de Duitsers gebombardeerd had mogen worden, deze grauwe betoncatastrofe, begaf ik mij naar nota bene een armoedefestival.
Het station zelf gaat nog wel en de opknapbeurt heeft de hal, die voor mij te groot is en eerder aan een hal van een vliegveld doet denken, wel wat overzichtelijker gemaakt. Maar echte veranderingen hebben niet plaatsgevonden, dezelfde vreetwinkels en overbodige rotzooihandel die je op elk station ziet is gebleven. Ik ben niet de eerste die deze afzichtelijke wanstaltige troep, probeert te beschrijven. Vast ook niet de laatste. En helpt allemaal niets, zoals er niets op welk gebied dan ook helpt in deze desastreuze wereld.
Ach, hoe symbolisch kan zo’n stationsgebied dat, of het nu gesloopt wordt of niet, toch zijn! Een symbool van kapitalistische verspilling en nutteloze consumptie. En dat in contrast met de armoede van enkele kilometers verder op zoals die in een festival gestalte krijgt. Ergens op een grasveldje in de Flores wijk.

Ik liep via een straat waar döner kebab zij aan zij ging met döner kebab, de Turkse bakker als linkerbuur döner kebab en als rechterbuur een Turkse groentezaak had en aan de overzijde van de straat hetzelfde soort neringen. Ik liep door de buurt die al aankondigde niet een villawijk te naderen. Naarmate ik dichterbij het festivalterrein kwam, leek het er op dat het gemiddelde inkomen van de bewoners daalde. Ik zag er sombere woonblokken met kleine woninkjes van een troosteloze architectuur uit de jaren twintig schat ik zo.

Het terrein waar het feestje plaatsvond besloeg een klein grasveld met wat tenten en tentjes er op. Ik belde de Overwinnende om te weten of hij zich ook op het terrein bevond. Ik hoorde slechts de automatische telefoonbeantwoorder. Het enige dat ik kon doen, was inspreken en hopen op een antwoord.
Ik slenterde wat rond over het terrein en dronk er een bekertje koffie. Ik voelde dat het etenstijd was en met mijn koffie zocht ik een plekje om mijn laatste brood te eten. Dat was vlak bij het ‘blikgooien’. Ik zat er rustig en ik keek naar het spel.

Na mijn maaltijd besloot ik een bericht te sturen om mijn precieze verblijfplek aan de Overwinnende kenbaar te maken.
“Ik zit bij het blikgooien”, zond ik hem.
Geen antwoord.
Ik belde hem nog vijf of zes maal en kreeg telkens weer hetzelfde bandje te horen. Na anderhalf uur werd ik ongeduldig. Om wat te doen te hebben ging ik ‘blik gooien’ en het ging mij niet slecht af. Ja, nu won ik eens iets. Een balpen van het Leger des Heils en een minirolletje pepermunt.
Ik dwaalde nog wat rond, sprak nog enkele mensen en toen werd het tijd om duidelijkheid te krijgen of de Overwinnende zich op het terrein bevond. Want stel nou, dat zijn telefoon uit stond.

Ik liep naar de man die het programma van het festival presenteerde. Ik vroeg hem of hij voor mij een oproep wilde doen en aan het publiek wilde vragen of er niet een ‘Overwinnende’ aanwezig was en dat hij zich dan bij mij wilde melden. Dat wilde hij wel doen. Ik had met de presentator afgesproken, dat ik op een duidelijk zichtbare plaats naast het podium, onder een wel zeer opvallende boom zou staan. Zo kon hij mij zeker vinden.
De hoop was nog niet verloren. Ongeduldig wachtte ik het moment af dat de presentator, daar de spreekstalmeester genoemd, voor mij het verlossende woord zou gaan voeren. Hij besteeg het podium. Hij greep zijn microfoon, tik tik, ja hij deed het. De spanning steeg.
“Dames en heren, graag nodig ik voor u hier op het podium de volgende mensen uit…..”
Er volgden wat namen, drie personen beklommen het podium en de spreekstalmeester begon met hen een gesprek. Geen oproep. Dit begreep ik niet.
Hij zou toch……..dat leek mij logisch……….Mijn zenuwstelsel kon dit niet aan en ik maakte een gebaar richting podium, richting presentator dat ik geen tijd meer had. Het gebaar kwam bij hem over en werd begrepen en ik verliet met een verslagen gevoel het festivalterrein.

’s Avonds thuis schreef ik:

“Dag Overwinnende,
Spijtig genoeg hebben wij elkaar ook bij het festival niet ontmoet. Ik heb daar ter plekke nog wel vijf keer geprobeerd je telefonisch te bereiken en ook nog een bericht gestuurd. Tegen zessen ben ik maar weer vertrokken en terug naar huis gegaan. Hierbij wil ik het laten, voel je vrij als je nog wilt reageren, maar verder contact lijkt mij zinloos, al heb ik de indruk dat je een sympathiek mens bent.
Groet, Simon.”

Het is zomer

De langste dagen. Tot half bijna elf uur licht. De tuindeuren staan open en de judaspenning staat in bloei. Er waren veel bomen bij ons in de buurt, gelukkig maar, want anders zou de enige zang in de zomer afkomstig zijn van ‘de zingende muur’ twee maal daags op zondag door de gereformeerden van Eben-Haëzer.

Vogels zingen dagelijks en zijn niet gereformeerd.

‘De zingende muur’ (het lijkt wel de titel van een sprookje) was opgetrokken uit gele baksteen en ongeveer vijf meter hoog. De muur van het kerkgebouw, dat oorspronkelijk een micafabriekje was, vormde aan een zijde van de tuin een brute afscheiding met de buitenwereld.

De ingang van de kerk, de toegang van het Hemelrijk, het leek mij, gezien de donderpreken eerder het Huis van Donar, bevond zich naast de poort die toegang tot onze tuin verschafte, de Tuin der Chaos, gelegen achter van het Huis van Verval.

De poort, een macabere gang met afvalhout, sloopresten van de schuur, stenen, tegels, allerlei troep, die uitkwam op de zijstraat, de Rododendronstraat, komt nog regelmatig in mijn dromen voor. Het is zomer

In de gang heerst dan telkens een onheilspellende sfeer. Ik kan er niet uit ontsnappen. Er is steeds iets met de sleutel van de donkere toegangsdeur die op de straat uitkomt. Via de poort kom ik net zoals in de niet gedroomde werkelijkheid uit op de zandbak die nu tot een verwilderde woestenij verworden is. De zandbak die aan de voet ligt van de zingende muur. In het zandbaklandschap groeien vreemdsoortige planten.

Ik zou wel weer eens in die zandbak willen ronddolen. Ik voel er veel voor om in mijn herinneringswereld te stappen, hup zo in de wereld die zich voor mijn geestesoog afspeelt. Dan zou ik al woelend met mijn hand door het zand klein speelgoedspul aan de oppervlakte brengen. Riddertjes en auto’s lagen er begraven.

Grenzend aan ‘Het Huis van Donar’ lag een verwilderde tuin. De tuin was zonder bloemenrandjes en een gazon. Beslist geen kitscherige burgermanstuin waar van af te lezen is welk tuincentrum en bouwmarkt aangedaan werden. Ook zonder terras, wel een plaatsje met de oorspronkelijke tegels uit de tijd dat het Huis gebouwd werd en dat slechts een klein deel van het tuinoppervlak in beslag nam.

Laten we eens een wandelingetje gaan maken in deze tuin, dit avonturenpark, we pauzeren wel ergens om een kopje koffie te drinken, koffie wordt aan de lopende band gezet, dus maakt u zich geen zorgen. Gelegenheid om vragen te stellen kunt u na de wandeling doen.

We verzamelen ons in de achterkamer bij de tuindeuren.

Kijkt u eens de tuin in. Tegenover ons zien wij de ‘Zingende Muur’. Als wij daar aangekomen zijn leg ik wel uit waar de naam Zingende Muur vandaan komt.

Rechts in de tuin staan twee gebouwtjes naast elkaar, ‘Villa Kakelbont’ en de stenen schuur die tegen de het grote huis aangebouwd is.

Links in de tuin staan twee berken hoger dan het huis op een vervallen border en een betonnen schutting vormt aan die zijde de afscheiding met de tuin van de buren. Laten we de tuindeuren openen en ons op het plaatsje te begeven om daar eens een kijkje te nemen.

Het plaatsje zelf is nog in de originele staat en stamt uit de jaren twintig, net zoals het grote huis. De oorspronkelijke tegels liggen er nog. Het is enigszins verzakt en renovatie van het geheel zou best de moeite waard kunnen zijn. Het plaatsje kan dan in aanmerking komen om een schildje te verwerven als aanduiding van ‘rijksmonument’. Helaas beste mensen zal dat nooit plaatsvinden en zal dit terrasje, zeldzaam in zijn soort tegel voor tegel uiteenvallen. Het zal een verzamelplaatsje blijven van afgedankte troep, een roestend olievat met een rest petroleum er in.

We lopen nu verder, richting keukendeur en we zien daar de afvoerput in de hoek tussen keuken en stenen schuur.

De put is ook zeldzaam in zijn soort, gebruikt leidingwater komt er rechtstreeks op uit, maar ook het regenwater via de regenpijp.

Er hoort een deksel op te liggen om de stank tegen te gaan, maar die ontbreekt natuurlijk. Maar, nu kun je, terwijl de vrouw des huizes de afwas staat te doen onder de stromende kraan en je de ogen sluit, je wanen in de buurt van een kabbelende bergbeek met zijn rustgevende geluid dat heilzaam water vervoert en glashelder is.

Tegenover de put bevindt zich de stenen schuur.

“Als iemand van de groep even de hefboom van de deur omhoog doet, dan kan de deur open. Dank u, wilt deur openen?”

Laat u mij voor gaan, dan kan ik wat vertellen over deze ruimte.

U ziet hier de reserveafdeling van het grote huis. Deze schuur is zoals u ziet volgestouwd met troep die men meestal niet in een schuurtje opslaat, behalve deze heggenschaar die voorzien is van krokant roestlaagje. Laat ik de deur sluiten. We lopen verder, het is wat krap hier, we kruipen voorzichtig langs de zinken gieter, de oude vuilnisbak met het huisnummer er op en niet meer in gebruik bij de gemeente, ook hier staat het bijna antieke vuilnisvat in ruste.

Wordt vervolgd.

Het was zaterdag…

Ik ging naar beneden naar de woonkamer, de voorkamer met een erker waar planten half levend achter een eeuwig omlaag hangende zonnewering van een soort bamboe verscholen stonden en ten gevolge van een eigenzinnig soort verzorging zich ontwikkelden tot nieuwe soorten…..

Waar de zonnewering ontbrak, waren tegen de ruiten stukken papier aangebracht. Deze werden overdag verwijderd om het daglicht nog een kans te gunnen in het sombere kranten- papier- en stofparadijs dat zich overal als een consequente inrichtingsstijl had vastgezet in het avontuurlijkste huis van onze buurt en waarvan de geur nog af en toe in mijn neus aanwezig lijkt te zijn.

De woonkamer waar ik in ‘mijn’ stoel zat, ééntje die nog verschoond was van, wat ik zou willen noemen ‘passieve verzameldwang’ bevond zich onder de slaapkamer van mijn moeder.

Ik bladerde de plaatselijke krant door in afwachting van haar ontwaken.

Tien minuten later hoorde ik gestommel boven mij, een teken dat zij was opgestaan.

Zij kwam de kamer binnen, begroette mij, liep naar de achterkamer en deed de door de tijd aangetaste gordijnen open die voor de tuindeuren in de achterkamer hingen. Het werd daardoor aanzienlijk lichter in beide kamers.

Op de vloer waren nu duidelijk verschillende roze hoopjes te onderscheiden. Het was muizengif. Bij één van de hoopjes lag een grijze opgezwollen dode muis.

Waarschijnlijk was hij snel bezweken bij de gifberg, in tegenstelling tot zijn familielid in de logeerkamer. Die had nog de kans gezien om een fikse wandeling te maken alvorens hij de dood vond.

Zoals gewoonlijk moest ik het lijk ruimen, dit karweitje was speciaal mij beschoren, niemand anders durfde het.

Wat was het toch zielig voor al die muisjes die het leven lieten.

Als het eens stil was in huis hoorde je een enorm geritsel. Voedsel in welke vorm dan ook was niet meer gevrijwaard van het knagen. Alles wat eetbaar was werd in de koelkast gepropt om het te redden van muizenvraat. Zelfs koek, snoepgoed en fruit.

Ik weet echt niet waar ik alles moet laten,” verzuchtte mijn moeder herhaaldelijk, radeloos geworden omdat de maatregelen die zij tegen de muizenplaag nam niets hielpen.

Mijn moeder begon het ontbijt klaar te maken.

Ondertussen pakte ik de muis in een krant en ik wierp het pakketje in de vuilverzamelbak die zich in de voortuin bevond. Een wrede (en respectloze) methode om een dood wezen daar zijn ‘laatste’, want de gemeentelijke vuilstortplaats zou dat in werkelijkheid zijn, rustplaats te bezorgen.

De vuilverzamelbak was propvol, maar het muizenpakket paste er nog net bij. Het deksel van de bak sloeg ik met een harde klap dicht om er voor te zorgen dat deze nog goed zou sluiten, anders zou de rottingslucht te veel vrij spel krijgen en gaan concurreren met de oliewalm van het naburige petroleumvat dat niet goed was afgesloten. Dit vat was in onbruik geraakt omdat wij met gas waren gaan stoken en uiteraard was de afsluitdop geheel spoorloos verdwenen.

Intussen waren de voorbereidingen van het ontbijt al iets gevorderd, mijn moeder was met het koffiezetten bezig en telde hardop en zo geconcentreerd mogelijk de schepjes koffie. Ze schonk kokend water de filter die bovenop een grote thermoskan stond.

De kan liep langzaam vol. Het water met twee eieren kookte al. Ik pakte uit het droogrekje alles wat ik nodig had om voor twee personen tafel te dekken.

Hooguit een kwart van de eettafel was geschikt om er te kunnen eten. Ook de tafel was langzamerhand verworden tot een landschap van enveloppen, zakjes met afval en wat al niet meer.

Ik dekte voor twee. Brood, beleg en koffie kwamen op tafel.

Het ontbijt kon beginnen.

Het Muizenpaleis omvat een aantal verhalen die zich afspelen in het het huis waar de verteller zijn jeugd doorbracht. Een desolate en bizarre wereld . Lees niet meer¹ verder bij Nederland Schrijft ,

¹ Tot 1 oktober kon dat nog wel, maar mijn verhalen zullen voortaan hier bij Culturele Verschijnselen te lezen zijn.

Vooruitblik speciaal voor de belangstellenden van Culturele Verschijnselen een  fragment: 

De Laborant

Vervolgens liep ik naar het kleine kamertje naast het logeervertrek.   Drie wanden waren nog steeds knaloranje en de vierde, de muur waar zich het raam bevond en waardoor je zicht had op de achtertuin, was donkergroen. Het prikbord hing er ook nog. Een erfenis van mijn mijn oudste zus Katrien die dit hok ooit als eigen kamer had en dat later dienst gedaan heeft als mijn scheikundig laboratorium.     

Er bevond zich een stalen gaskachel die niet aangesloten was, maar wel als tafeltje diende en dat was handig, want een schoenendoos met enveloppen had ook wel recht op een eerbiedwaardige plaats…..

 Binnenkort een fotoserie:  ‘Vondsten uit het Muizenpaleis en daarna’.

Maar nu eerst een ander verhaal.

De Wereld is Knettergek

De Wereld is beangstigend en fascinerend tegelijk.

Mijn wereld is beangstigend en fascinerend tegelijk.

Mijn huis is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De omgeving van mijn huis is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De weg waaraan ik woon is beangstigend en fascinerend tegelijk.

De stad, het land, de wereld, ikzelf en anderen.

Mijn huis is mijn wereld, mijn geest, mijn ziel, zij zijn het ook.

Als ik de straat op ga, is dat daar, buitenshuis, is dat nog wel mijn wereld, of die van anderen? Waar ligt de grens en hoe valt deze te bepalen? Sommigen gingen mij voor met diezelfde vragen, ik stel ze ook.

Als ik de straat op ga, dus eerst de trap af, sloten openen, deur openen (de brievenbus is al half open en kleppert), opent zich een aparte wereld. Het felle zonlicht komt mij tegemoet en ik zie een deel van mijn tuintje. Het zonlicht lijkt van links te komen en ziet er ongewoon fel uit, alsof er geen bomen meer staan, alsof alles wat eerst ter linkerzijde stond verdwenen is. Maar dat blijkt gelukkig niet waar te zijn, zie ik even later. Ik til mijn fiets naar buiten en zet hem tegen de buitenwand van het woonpand. Nu kan ik de huisdeur sluiten, maar doe het nog niet. Eerst inspecteer ik mijn tuintje. Hoe staat alles erbij, zijn er veranderingen waarneembaar?

Alles lijkt normaal.

Ik licht mijn tuintje door (afspeuren) en het lijkt alsof er nauwelijks iets veranderd is. Op het paadje ligt een afgewaaid takje van de Hazelaar, dat lag er gisteren ook al. Precies op dezelfde plek. Ik wil het pakken, maar ik beheers mij en laat het zo liggen. Een pril klaverplantje groeit op het kruispunt van vier tegels, maar ik laat het staan. De planten in het tuintje zien er normaal uit en er ligt niets vreemds onder of tussen de begroeiing.

Het hekje aan de straatkant vertoont geen afwijkingen.

Nu kan ik gaan en sluit de voordeur. Dan volgt het dwangritueel met de sloten en daarna mag ik van mijzelf gaan fietsen.  En als ik fiets dan kom ik in een andere wereld terecht die mee veranderd in de richting dat ik fiets en waarneem. Sommigen zeggen dat dit, het waarnemen de enige werkelijkheid is die bestaat, ik denk daar anders over, maar denk wel dat ikzelf en alles daarbuiten twee werelden zijn die op een onbeschrijfelijke manier met elkaar in contact zijn.

Ik fiets in een wereld die, ik heb al eens een poging gedaan om deze te beschrijven hoe deze krankzinnig in elkaar zit, als ik zelf stilsta bij wereld en het leven die we samen maken en breken. Hoe meer vragen, hoe waanzinniger en des te boeiender, enger de massaliteit is. Maar een zandkorrel kan het allemaal niets schelen en het harige wilgenroosje ook niet.

Waarom is mijn denken belangrijk? Omdat ik leef. Anders kan ik net zo goed niet leven. Is denken leven? Ben ik belangrijk? Is mijn bestaan van invloed op de wereld. Want als dat zo is, dan is de wereld knettergek of juist niet. Doet het er toe of ik leef? Of dat een andere willekeurige fietser leeft? Die fietser niet, misschien. Als hij mij opmerkt, dan bevind ik mij in zijn gezichtsveld en ook bevind ik mij waarschijnlijk in zijn denkveld. Totdat één van ons twee uit het zicht verdwijnt.

Maar nu ga ik mijn wereld mijn waarnemingsveld en denkveld verkleinen. Ik sta dus in de deuropening en laat mijn waarnemingsveld en denkveld als een ballonnetje leeglopen totdat ik een kleine ballon overhoud, niet helemaal een lege dus.

De wereld wordt wat overzichtelijker. En reikt nog niet verder dan de begroeiing tegenover mijn deuropening.

Maar eigenlijk wil ik nu het ballonnetje nog meer leeg laten lopen.

Het mag niet slap worden. Wel kleiner. Tijd ontsnapt uit de ballon en ik ga terug in het verleden.

De wereld wordt kleiner en de deur is gesloten. Mijn fiets staat op de trap. En ik kijk naar mijn het vakje dat zich pal achter de brievenbus bevindt. Daar lag jaren geleden een biljet van 1000 Turkse Lira. Oud Turks geld, nu niet meer in omloop en totaal niets meer waard.

Wat later vond ik vlak achter de brievenbusklep een klein reepje chocola. Waren dit reepje en het biljet afkomstig van dezelfde gever?

Hier bleef het niet bij, want op mijn deurmat vond ik eens een popje, een beertje voorzien van een gestreept pakje met een groot rood hart er op. Ook ontving ik van een zekere Jeroen een verjaardagskaart waarop “een fijne 112ste verjaardag” toegewenst werd. Had ik te maken met een geheimzinnige aanbidder? Een geniale gek, iemand die wil plagen?

Ik maak nu een stap van de brievenbus naar de deur zelf. Ik blaas het ballonnetje een klein beetje op, één kleine ademstoot van ruimte en tijd.

Nog meer cadeautjes dienen zich aan., zij het niet zulke plezierige.

Op een avond kwam ik laat thuis en ik wilde mijn voordeur openen, de sleutel paste niet. Ik vroeg een buurman te hulp. Hij kwam op het idee om een magneet te gaan halen. Het magneet trok een speld uit het slot. Ik kon het slot weer opendraaien.

Nu ga ik nog een stapje verder naar de buitenwand van het woonpand, naar de bel, eigenlijk een zoemer.

´s Nachts geschrokken van een indringende aanbeller tussen drie en vier uur, keihard en herhaaldelijk. Ook een maal vroeg in de ochtend en eens tijdens en middagdut vond hetzelfde plaats.

De draden van de zoemer heb ik doorgeknipt.

De bel, de zoemer dus, is aan de houten buitenwand bevestigd.

Jarenlang zette ik mijn fiets tegen die wand. Op een avond wilde ik naar een bijeenkomst van goedgezinde mensen gaan in een binnenstedelijke tempel. Ik verliet mijn huis via de deur die mijn wereld toegang verschaft tot de wereld die knettergek is. Het was donker. Ik stapte naar buiten, ik keek richting fiets en wilde de voordeur sluiten. Mijn fiets stond er niet meer. Een grote schok ging er door mij heen. Ik sloot de voordeur en liep een stukje het park in dat zich vlak naast het woonpand bevindt. Mijn fiets was nergens te bekennen. Maar mijn intuïtie wel. Ik kreeg de ingeving dat ik mijn fiets terug zou krijgen. En zo geschiedde, de volgende dag.

Een andere buurman had mijn Gazelle ergens in de bosjes gevonden.

De Hemelse Geschenken bleven komen. Mijn voordeur werd besmeurd met mosterd, een koffiemok met de beeltenis van Ludwig von Beethoven (of was het W. A. Mozart?) was op het afstapje van mijn deur geplaatst, glasscherven op het pad voor mijn deur, een glazen pot met een troebele inhoud, een rotte courgette, een opscheplepel, twee muizenklemmen met de muizen er nog in, zeer demonstratief neergelegd op de composthoop, een zak met kleding, nog eens glasscherven en weer een zakje met kleding. Maar ditmaal opgehangen aan de deurknop. Ik keek in dat zakje en ik zag op de bodem een horloge waarvan ik zo op het eerste gezicht niet kon inschatten of het veel geldelijke waarde kon hebben. Op het opstapje bij mijn voordeur lag een hasjpijpje. Niet veel later hing er een knalroze koptelefoon aan de deurknop en een minifietslampje en vond ik op het paadje voor mijn huis kindersokken.

Een kartelmes trof ik eens aan gestoken boven in een van de palen van het tuinhekje.

Plotseling zag ik dat er boven mijn deur een lampekapbolletje aan de lampenhouder gedraaid was, een ongevraagde actie van een dezelfde buurman die mijn fiets vond. Onmiddellijk draaide ik hem los en legde hem op de compostbak die nu dienst doet als vuilnisbak. Was het een dag later? Ik weet het niet precies, maar de bol was aan diggelen gesmeten, de splinters waren ver gekomen, ik vond nog enkele, opvallend grote, verscholen tussen de planten van mijn tuintje.

Mijn tuintje was dicht begroeid en de gewone vogelmelk stond in bloei. Een kleine groene weelde.   Een aangetaste weelde. Want, tussen het groen, lagen verborgen de walgelijkheid, de ziekelijkheid, twee patserige zonnebrillen die zo’n groot contrast vormden met de begroeiing in mijn tuintje, de geschenken van een buitenstaander uit de krankzinnige buitenwereld.

Die buitenstaander gaat soms heel precies te werk. Zo trof ik mijn tuintje eens aan met kleine paaseitjes die in de bomen waren opgehangen en ook op de grond lagen en bij eens struikje was een vilten hertje neergezet. Zo snel mogelijk heb ik deze rotzooi verwijderd, al had het ook wel iets lachwekkends. Zelfs de tweede lading glasscherven waar ik het eerder over had, was zorgvuldig, gelijkmatig over het paadje voor mijn huis neergelegd.

Alles lijkt nu weer normaal.